Zie, hier is uw God (1)

1978-06-02
  • Jaargang 22
  • nummer 22
Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.
Matth. 5: 4

Zou er wel iemand geweest zijn onder die mensen die naar Jezus luisterden, die zich door dit woord niet aangesproken voelde? Zou er wel iemand geweest zijn die niet treurde?
De één was ongeneeslijk ziek. De ander moederziel alleen. Er waren blinden en kleupelen. Mensen die vergingen van de honger. Een jongen die zijn meisje er met een ander vandoor zag gaan. En een moeder die het moest aanzien dat haar kind gillend bezweek onder de ondragelijkste pijn. En anderen, die zelf wel boordevol blijdschap waren, maar aan het verdriet van mensen om hen heen toch min of meer kapot gingen.
Allemaal min of meer kapot die mensen. Sommigen met een kleine schaduw over een toch wel zonnig bestaan. En anderen zó verscheurd dat ze het wel uit konden gillen.

Bij zó'n verdriet past trouwens dat woord "treuren". Het past bij een verdriet dat eenvoudig niet meer binnen te houden is, dat naar buiten móet, in tranen en gekerm, in schokkende schouders of wanhopig geschreeuw. Wij zijn daar misschien zo vlot niet mee, maar ondertussen weten we best wat dat is: dat je het wel uit kunt jammeren. Treuren - dat is wat je ziet als je kijkt naar het beeld "Stad zonder hart" in Rotterdam. Een aan flarden gescheurd lichaam, naar de hemel krampende armen, een vertrokken gezicht. En je hóórt bijna die schreeuw van doodsnood, die de hemel haast wel kapot moet scheuren.

En tegenover dat "treuren" staat dan het "vertroost worden". Alsof naast dat beeld van Zadkine een bord staat: "Stil .maar, wacht maar, alles wordt nieuw; de hemel en de aarde."

Maar wie heeft het gewaagd, dát te zeggen bij de rokende puinhopen van Rotterdam, bij de stinkende woestenij van het Jodengetto in Warschau.
Wie waagt het, dat te zeggen bij de gruwel-beelden uit Zaïre? Of in de eindeloze huizenrijen en flatwoningen van onze steden, hokjes vol mensen, ieder met zijn eigen verdriet en wanhoop, zijn eigen afschuwelijke pijn vanwege het onherstelbare?

Jezus waagt het. Hij zegt dat toch: stil maar! Want Hij zegt juist dat er niets onherstelbaar is. Dat aan alles waarover een mens moet treuren iets gedaan gaat worden, alles gedaan gaat worden. Het koninkrijk staat immers voor de deur? En als dat waar is, dat God reddend gaat ingrijpen, dan wordt alles nieuw, de hemel en de aarde. Dan komt God zelf alle tranen van onze ogen vegen.
En de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan. De treurenden zullen vertroost worden, niet met lege woorden slechts, maar met de daden van God, Gods heil en Gods gerechtigheid.
Het is echt waar, zegt Jezus, God laat voor jullie, mensen, treurenden, hoop op leven zijn.

Hóóp op leven? Later komt het goed? Maar daar heb je vandaag toch niets aan, Dat verandert nu toch niets aan je verdriet.

Laten we eens even aannemen dat er werkelijk niets meer te zeggen viel dan: straks wordt alles nieuw; er is hoop op leven. Betekent dát al niet, dat er vandaag iets verandert?
Want het ergste van vandaag is nog niet eens het verdriet. Maar het ergste is: er komt geen eind aan. Het ergste is het onherstelbare. Dat maakt je pas goed kapot,

Maar als je nu weet dat God er alles aan doen gaat, en dat dus de onbezorgde lach toch weer in je leven moet doorbreken, en dat - hoe je ook gemangeld wordt door de ellende, waar je niet tegen op kunt – dat van al die ellende geen spaan overblijft en dat God iets ongelooflijk moois van je leven gaat maken, als er echt hoop op leven is, - dan blijven de tranen wel, vandaag, en het leed. Maar dan is er toch iets veranderd: tranen en leed zijn zonder bitterheid.

Moeder van kleine kinderen weten dat. Als hun kleine peuter pijn heeft en radeloos is van narigheid, dan nemen ze het joch op schoot en ze aaien het over zijn bol en ze zeggen: stil maar, - het gaat echt over. En dan is de pijn al niet zó erg meer. Dan komen de tranen nog wel, maar ze zijn niet zó wanhopig, zó radeloos meer.

Hoop op morgen doet vandaag al een beetje leven.
Dat is waar, zèlfs als er niet meer te zeggen zou zijn. Maar er is meer te zeggen. Want Jezus zegt niet alleen: het zál straks gebeuren, het koninkrijk kómt. Maar: het rijk van God is midden onder jullie. Want Ik ben er. En in Mij is God gekomen. Wie Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien.

Daarom zijn jullie, treurenden, zalig Want, natuurlijk, je zult vertroost worden. Jullie verdriet zai veranderen in blijdschap. Maar waarom zal dat gebeuren? Omdat nu, vandaag, God gekomen is. Hij is gekomen in Mij. Hij is gekomen en tot alle treurenden zegt Hij: stil maar, want Ik ben er immers.
Dat voorbeeld van die moeder met haar verdrietige kind zei toch niet de hele waarheid.
Natuurlijk, ze zegt: het wordt echt beter. En daardoor wordt de pijn al anders, minder.

Maar eigenlijk wordt die vreselijke pijn toch wel om te dragen, niet omdat het straks beter wordt, maar omdat moeder er is. En als moeder er is, dan komt alles goed, - natuurlijk.
Maar het zit nog dieper: als moeder er is, dan is het al goed. Zelfs met pijn.

God zal de treurenden troosten, Hij zal alle tranen wegvegen. Maar alleen omdat daarachter dit grote zit: zie, de tent van God is bij de mensen, en God zelf zal bij hen, zijn.
Nu, dat God bij ons is, dat is in Jezus al begonnen. Daarom zijn treurenden zalig, vandaag. Omdat Jezus er is. En omdat ze in Jezus God ontmoeten.

Wij kunnen vaak niet anders dan ons blindstaren op ons verdriet. Verdriet over je eigen pijn. Of over de pijn van anderen. Je moet je er wel op bIindstaren.
Want het laat je niet los. Het overspoelt je. En het kan niet anders, of je gezicht vertrekt en je mond schreeuwt naar de hemel. Zoals dat beeld: "Stád zonder hart". Wat moet je anders?
Nu ben je soms nog alleen, nu moet je soms nog huilen, en als je weg wilt schuilen, kun je haast nergens heen.
Ja, maar datzelfde versje eindigt met dat andere:

Daar is geen zon en geen maan;
dat zal God zelf ons verlichten:
dat zullen alle gezichten
vol van zijn heerlijkheid staan.

Wij staren ons blind op ons verdriet. En we moeten wel. En ons gezicht vertrekt van pijn, van wanhoop. Maar als God er vandaag is, als in Jezus God echt tot ons gekomen is, laten we dan naar Hem kijken. Dan moet ons gezicht zich wel ontspannen. Dan komt nu, vandaag, door onze tranen heen en door ome wanhoop heen, die ons gezicht verkrampt, de heerlijkheid van God doorbreken. Van die God, die zegt: Stil maar.
Ik ben er echt. Want in Jezus ben Ik gekomen. Dan moeten we ons wel omkeren van ons verdriet naar Hem. Dan moeten onze ogen wel getrokken worden van dat wat ons kapot maakt naar Jezus Christus. Want dan heeft van Hem dat woord geklonken: Troost, troost, mijn volk. Zie, kijk, hier is uw God.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief