Omzien naar anderen

1978-06-02
  • Jaargang 22
  • nummer 22
Op tweede pinksterdag had ik het genoegen in Amersfoort de jaarlijkse jeugddag mee te maken. In de mooie en volle St. Joriskerk aldaar. Wat hebben we er fijn gezongen! Onder leiding van een muziekgroep uit Groningen en van het machtige en ook machtig bespeelde orgel. Eng goed.
Er was iets terug van de vroegere bondsdagen, maar toch anders.
De dag was origineel opgezet. Goed, daar waren sprekers, zoals vroeger, maar met een kortere spreektijd en rondom één onderwerp geschaard: omzien naar de ander. Dat was het thema van de dag. Het ging om de oude vraag van onze plaatsbepaling als christenen in de wereld. "Hoe zien wij de anderen?", maar ook: "hoe zien de anderen ons?"

Heel goed vond ik in dat verband het kleine rollenspel tussen twee jongens, de een 'gelovig', althans kerkelijk, de ander niet. Het gesprekje nam z'n ongedwongen uitgangspunt in het voorstel van de 'ongelovige' zijde om a.s. zondagmiddag naar een voetbalwedstrijd te gaan. En zo kwam men via de zondagsheiliging over kerk en geloof te spreken. Het sloeg aan en in, had ik de indruk. Je zag "Is het ware de hele kerkzaal met de 'gelovige' partij mee in elkaar krimpen onder de mokerslagen van vragen en opmerkingen, die de 'ongelovige' partij lanceerde.
Het liep uit op deze tirade van de laatste: "Ik leef goed. Er valt niets op me aan te merken. Waarom zou ik dan naar de kerk gaan of geloven?"
Waarop de ander de handen vertwijfeld in de lucht stak en daarmee het gesprek beëindigde. Met deze laatste vraag als opgave om te beantwoorden werden wij de gespreksgroepen ingestuurd. En, zoals mijnheer Van Wijk (bij wie de leiding in goede handen was), zei, de vereniging thuis in. Terecht, want uit zulke gespreksgroepen ter plekke komt meestal niet zo veel. Moeten wij deze vorm nog Ieren?

Toch wil ik er een antwoord uithalen, dat ik zeer de moeite waard vond. Ds Smelik, die een van de sprekers was, kwam daarmee. Hij zei ongeveer het volgende: "Iemand die mij met dezelfde vraag eens aan boord kwam, heb ik dit voorbeeld voorgehouden: Stel je voor, daar is een vader, die een zoon bij zich in huis heeft wonen. Ze hebben 't samen goed, maar op zekere dag stapt de zoon op en trekt weg en laat nooit meer iets van zich horen. Jaren later komt de vader in het winkelcentrum zo maar opeens de zoon tegen. Jongen toch, hoe maak je het? Waarom horen we niets meer van je? Weet je dat je ons daar erg veel verdriet mee doet? Zegt de zoon: Waar hebt u het over? Ik leef toch goed? Niemand komt mij iets te kort. - Voel je, hoe misplaatst in dit verband dit antwoord is? Even misplaatst is, wat die 'ongelovige' in het spel zei: Ik leef toch goed? Waarom zou ik naar de kerk gaan of geloven?" - Een eenvoudig verhaal, waar ieder wat mee kan, dacht ik zo.

Toen ik zo naar één en ander zat te.
luisteren, kwam ik ook op ’n gedachte. Wat zijn wij kerkmensen toch onder de indruk van 'de wereld, ging het door me heen. Wat nemen wij ze toch serieus! Terecht hoor, daar niet van. Maar we kunnen ons toch ook te gemakkelijk laten intimideren. Nee, ik wil het gebodene op de tweede pinksterdag niet kritiseren, maar toch aanvullen. Aanvullen door nog iets bemoedigends tot de jongelui te zeggen.
(Als ze dit tenminste lezen.) Realiseren wij ons wel, dat een gelovige veel en veel beter een niet-gelovige begrijpt, dan een niet-gelovige een gelovige? Als gelovigen hebben wij de niet-gelovige bij ons, in ons hart. Maar de niet-gelovige heeft de gelovige niet bij zich. Ais gelovigen kennen wij de realiteit van de nieuwe en de oude mens, zoals de Heidelbergse Catechismus daarover spreekt (Zon. 33). Maar de ongelovige kent alleen maar de oude mens. Als gelovigen kennen wij de spreuk: in de wereld, maar niet van de wereld.
Maar de ongelovigen hebben niet de spreuk: in de kerk maar niet van de kerk. Als gelovigen houden wij ons een hele vrije dag bezig met de vraag: hoe benader ik de niet-gelovige?
Maar er is geen sprake van dat de niet-gelovigen ook zo'n soort dag beleggen en dan in het omgekeerde.

Ik zeg deze dingen niet om anderen en mezelf een superioriteitsgevoel aan te praten. Ik vrees trouwens dat ik daar erg veel drukinkt en papier voor nodig zou hebben, want superioriteitsgevoel is een ziekte waartegen wij erg goed ingeënt zijn. Daarvoor zijn we te zeer onder de indruk van de wereld. Nee, ik zeg dit om een al te groot gevoel van schuchterheid tegen te gaan. Daar hebben wij wel eens last van, als ik het goed zie.
Als een christen met een niet-gelovige uit de wereld spreekt, dan gaat hij eigenlijk hardop verder met een gesprek, dat hij al z'n levensdagen zachtjes met zichzelf voert, als het goed is. Natuurlijk kan de niet-gelovige je dingen zeggen, waar je zelf nog nooit op gekomen bent of nog nooit over nagedacht hebt. Maar je hebt er feeling voor. Je begrijpt hem, ten diepste. Terwijl als de niet-gelovige over het geloof spreekt, je zo vaak moet denken (je hoeft 't niet te zeggen): dit is duidelijk geen insiderspraat.
Zoals Paulus zegt: "De geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld." (1 Cor. 2: 15, plus het hele gedeelte, 1 Cor. 2 : 6-16!).
Daarom, al zijn we dan in de ogen der wereld een te verwaarlozen minderheid of 'n zeldzaam wordend folkloristisch verschijnsel, wij mogen het gesprek met die wereld voeren in een gepast besef van gekregen eigen waardigheid. Wij hebben de bijbel. En deze heilige Schrift, die over God "preekt, leert ons tegelijk wie de mens is, ook de ongelovige mens. De wereld heeft de heilige Schrift niet. De bijbel is dus onze voorsprong in het gesprek met de wereld, niet alleen in wat hij zegt over God, maar ook in wat hij leert over de mens en wat in hem is.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief