Gods harpen

1978-06-02
  • Jaargang 22
  • nummer 22
De harpiste Francina Hinlopen schreef een delicaat boekje over "De geschiedenis van de harp en haar betekenis in de eredienst van Israël", (Kok, Kampen, 1977). De laatste twee woorden hadden uit de titel mogen vervallen, evenals het voorwoord van prof. dr J. P. Boendermaker.
Want (1) de schrijfster bepaalt zich niet tot de oudtestamentische eredienst, maar ziet ook Schriftuurlijke richtlijnen voor vandaag en (2) mag een harpiste van professie nu ook eens haar zegje doen, zonder dat eerst een theoloog haar het woord verleent?

De schrijfster is een leerlinge onder meer van Rosa Spier en haar monografie wekt de indruk dat ze, evenals haar leermeesteres, een dochter van Abraham is. Het gebruik van talmud en kennis der rabbijnen, het gebruik ven de naam "de Eeuwige" voor "de HEERE", en haar kennis van onvertaalde (zo niet onvertaalbare) psalmopschriften, wijzen ook al op een ongewone kennis van het Hebreeuws.
Pas in de laatste zin wordt de naam Jahwe gebruikt. In elk geval toont ze een grondige kennis van haar onderwerp - hetgeen van haar verwacht mag worden; en ook een grondige kennis van de Schrift - hetgeen niet van elke professionele musicienne kan worden verwacht.

Wie zich door de Schrift laat leiden is meestal onbevooroordeeld.
Deze harpiste is dan ook objectief in het doorgeven van Bijbelse gegevens omtrent haar instrument, eigenlijk omtrent de harpen Gods. Want (stond u daar wel eens bij stil?) zowel in het oude als in het nieuwe testament wordt van de harpen gesproken als "harpen Gods". Daar mogen onze kerkmensen, die alleen van het gezongen Woord willen weten, wel eens aan denken: dat zangers en speellieden in de Schrift niet te scheiden zijn.

In een eerste hoofdstuk vertelt ze het weinige, dat uit de oudheid bekend is. Dat ze ~p pagina 9 de wieg van de harp in Egypte ziet staan en op de volgende bladzijde in China moge niet hinderen: zeker is dat over die oudheid weinig zekerheid bestaat. Maar inderdaad: grafreliefs in Egypte geven de harp al 3000-4000 jaar v.C. weer, zo nauwkeurig dat de snaarlengten en dus de toonhoogten "afleesbaar" zijn; en inderdaad is de kennis van de vijftonige ladder zowel in Egypte als in China reeds duizende jaren voor Christus aan te tonen. Die 5-tonige ladder - lezers van deze rubriek weten dat immers - is te vergelijken met de vijf zwarte toetsen op het pianoklavier; ze weten dan ook dat de "open plekken", op uiteenlopende wijzen gevuld, de diverse karakters voor de latere 8-toonladders opleverden.
Terecht wijst mevrouw Hinlopen er voorts op, dat de harpen - in diverse maten, vormen en karakters - niet van vreemde smetten vrij waren; immers afkomstig van Jubal, uit het geslacht van Kaïn; maar wel in de Joodse religie geïntegreerd en nadien door de HEERE geadopteerd zijn; ja, tot instrumenten der muziek Gods verklaard!

Dat is heel sterk. Want Jubal was "de vader degenen die harpen en orgelen hanteerden"; dat wil zeggen hij maakte de eerste snaar- en blaasinstrumenten, de op een raam gespannen snaren en de meertonige fluiten. Echter de harp kreeg het Goddelijke zegel, zowel bij David als Johannes, maar de fluit is (volgens wijlen prof. dr A. Z. Idelsohn) nooit in de eredienst gebruikt, Zodat wij met onze orgels een goede steen in ons fundament te kort komen. Zodat een harpiste op goede gronden een plaats voor de harp in de hedendaagse eredienst kan opeisen. Wat ze dan ook doet.

Bij het doorvorsen van de Schrift stuitte Francina Hinlopen uiteraard op de theologische vertaalblunders. Ze rekent af met een reeks misverstanden en brengt enkele nieuwe aan. Maar ook dat is vergeeflijk. Want als je bij wetenschappelijk onderzoek geen enkel foutje mag maken, wat mag je dan nog wel?

Wij hebben destijds *) geprobeerd de betekenis van de oudtestamentische muziekinstrumenten uit te stallen. Later hebben we wel eens een studie over de bazuin gepubliceerd, in dit goede blad. Er is, menen wij, blijvende behoefte aan deskundig materiaal op dit punt: tot nu toe werd in het wilde weg vertaald, waarbij moderne instrumenten de gedachten bepaalden. Het is ons bekend dat de helaas overleden musicologe Jkv Henriette van Lennep een doorwrochte studie over de bijbelse muziekinstrumenten persklaar had liggen, die nooit is uitgegeven. Wij moeten met deze dingen bezig blijven: als de Bijbel ze ons meedeelt zijn ze niet bedoeld om in het hobbykabinet bewaard te blijven. Vandaar ook onze blijdschap over dit boekje van een harpiste.

Zoals de oudste kleine orgels onderscheiden worden in draagbare (portatieven) en opstelbare (positieven), zo onderscheidt de schrijfster de harp in een draagbaar model (de kinnor) en de staande harp (nebel of nabla). Meteen stelt ze vast, dat de snaarinstrumenten in de oudtestamentische eredienst uitsluitend harpen zijn geweest: bestaande uit een groter of kleiner raam met meer of minder snaren. De snaren geven elk één toon. De groep snaren geeft één toonreeks. Verstemmen of overgaan naar een andere toonreeks was tijdens het spel niet mogelijk. En alle andere namen in onze vertalingen, als citer, psalter, vedel, luit enz. zijn van latere datum dan de Bijbel. Wel zijn alle latere snaarinstrumenten - hetzij met vase snaren, hetzij met via een hals verkortbare snaren, hetzij met een plectrum aangesproken of met hamers aangeslagen, hetzij gestreken of getokkeld - uit de harp gesproten.

In dit verband geeft de schrijfster een bijzonder welkome opmerking. Zij vertelt dat tijdens Jozefs regering een Miletische prins naar Groot-Brittannië zeilde en daar (1620 v.Ci) de harp in Ierland importeerde. Ze weet te vertellen, dat deze harp een plaats vond in het Ierse wapen. Wij mogen dit gegeven aanvullen: de "Keltische harp", alhier clarsag genoemd, komt ook in tal van Schotse wapens voor; en volgens Keltische overlevering begeleidden alle Keltische zangers hun balladen op de clarsag. Vandaag wordt deze harp hier nog gemaakt en bespeeld, zelfs op wedstrijden.

Mevrouw Hinlopen doet een poging, de betekenis van de harp voor de menselijke geest te verklaren. Ze is van oordeel dat de harp, zowel solistisch bespeeld
(zie 1 Sam 15,. 17 en 2 Kon. 3 : 15) als ter ondersteuning van de zang (als in Ps, 98 bijvoorbeeld) een diepe indruk op de mens maakt en omgekeerd de diepste menselijke gevoelens uitdrukt. Toch - met waardering voor het voorgaande - blijven wij gereserveerd, als zij meent dat ook. solistische harpmuziek in de eredienst een functie van lofprijzing kan hebben. Wanneer ze zich beroept op Bijbelplaatsen als "loven met de harp" vrezen wij namelijk, dat deze plaatsen categorisch ook als "loven bij de harp" vertaald mogen worden; waarmee ze de gewenste bewijskracht verliezen. Niettemin gunden wij haar gaarne haar gelijk. Iedere organist (bijna de enige instrumentalist, die we in de eredienst hebben) kent momenten, waarin hij de goedertierenheid Gods met pijpen denkt te verklanken. Zoals Augustinus ook aan de woordloze klinkerzang een karakter van lofprijzing toekende. Het is met deze dingen vaak zo: het kan ja - het kan ook nee zijn. De mogelijkheid, het ius prophetand i, moet open staan om solistische harpmuziek een functie in de eredienst te geven; hoewel theologen zich hier van zullen distantiëren. Zo ook moet mevrouw Hinlopen het recht worden gelaten, uit de Hebreeuwse opschriften technische gegevens inzake de harpen af te leiden; terwijl commentaren als van Calvijn, Delitzsch en Ridderbos daar anders over denken, resp. de opschriften onvertaald laten. Wij voor ons willen graag precies weten, wat de Bijbel zegt; maar toch ook graag gelovig invullen wat de Bijbel openlaat,
We zijn het natuurlijk ook wel eens oneens met de schrijfster - al klinkt dat niet elegant. Wanneer zij Asaf een instrumentalist, een cymbalist, een slagwerker, noemt, doet zij hem tekort. Asaf was een zanger, een voorzanger, een opperzangmeester. En bij het Hebreeuwse ritme behoort een voor- en een nazin, welke beide door en slag op de cymbel (door de zanger zelf!) werden aangegeven. Asaf was dus geen instrumentalist maar een vocalist, een zanger; en een vocalist gebruikte de cymbel ter markering van zijn zang.

Ook zijn we het op goede gronden oneens met de gedachte van een tempelorkest.
Destijds *) hebben we ons gedocumenteerd verzet tegen deze door theologen aangedragen fantasie. De aard van de instrumenten, hun uiteenlopende stemmingen en beschikbare tonen, maakten bij voorbaat orkestraal samenspel onmogelijk, naar onze overtuiging.

Maar bijzonder fijn is het gevonden: dat de zangers en speellieden bij 2 Kron. 5 : 12 in het wit en ten oosten van het altaar werden opgesteld. Want van het oosten komt het licht, ook het Licht; 'en hun witte kleding wees op de rechtvaardigmaking der heiligen (Op. 19 : 8), de reiniging van onze offeranden door Gods Geest.

"Jahwe verkoos de harp, omdat geen ander instrument zo diep op de menselijke geest inwerkt". Zo eindigt de schrijfster. Wilt u over die slotzin van iemand, die haar leven op de harp beleeft, deze week wel eens nadenken?

Noot
*) Zangers en Speellieden, Goes 1946.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief