Randbeschouwingen
1977-01-07
Welke rand?- Jaargang 21
- nummer 1
Wie meent, dat hij door de hier bedoelde randbeschouwingen zal worden meegevoerd naar een hooggelegen niveau, die krijgt een teleurstelling te verwerken.
Ik wil namelijk in de meest letterlijke zin van het woord op de begane grond beginnen. Ik wil het hebben over de rand van de akker waarover Lev. 19:9 spreekt.
Daar lezen we: "Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt, zult gij de rand van uw veld niet geheel afmaaien ... ". Met deze bepaling (onder andere) zorgt de HERE voor de armen en de vreemdelingen. En Hij legt die verzorging op de handen van zijn volk Israël. Hij bindt die zorg aan zijn volk op het hart.
De overlevering der ouden
Pas las ik wat dr W. H. Gispen in zijn commentaar op Leviticus over deze tekst zegt. En daarbij viel me één ding erg op. De hoogleraar vertelt namelijk, dat ook deze bepaling van de HERE de aandacht heeft gekregen van de uitleggers van de wet, die vooral ná de ballingschap onder Israël zijn opgestaan en die een keten zijn gaan vormen waarin elke schakel uit de voorgaande voortkwam om op zijn beurt in de volgende weer voortzetting te vinden. Een hele traditieketting . .. vandaar de bekende uitdrukking "overlevering der ouden".
Welnu, in een bepaald traktaat dat die overlevering vastlegt en uitwerkt komen we ook Lev. 19: 9 tegen en daar wordt dan vastgesteld, dat men het deel van het korenveld dat voor de armen bestemd is dient te bepalen op één zestigste. Een praktische bepaling zouden we zeggen. Het moeilijke in het gebod van de HERE zit immers in dat woord “rand". Wat is een rand? Hoe breed is een rand? Misschien hangen ze in uw kamer wel naast elkaar: een familiefoto met een heel dun randje van verzilverd metaal èn het schilderij met zijn rand van 15 centimeter. Ja, hoe breed is nu een rand? Wat een merkwaardig "open" gebod heeft de HERE daar gegeven! Open ja, want elke boer in Israël moet het zèlf invullen. Was het niet een goede zaak, dat die uitleggers de knoop maar hebben doorgehakt?
Niet verder over tobben!
Eén zestigste... houd je daaraan!
Omkering van het gebod !
Ik ben ervan overtuigd dat de uitleggers het gemak van de mens hebben gediend met hun voorschrift, met hun "konkretisering" van het gebod. Maar ik ben er even zeer van overtuigd, dat dat géén goede zaak was. Waarom niet? Allereerst, laten we nuchter zijn. Als de HERE een vast percentage had bedoeld, dan had Hij dat toch werkelijk Zèlf wel kunnen zeggen! In een ander verband doet Hij dat ook. Denk maar aan de "tienden". In Lev. 19 doet Hij het niet. En dat moet toch zijn betekenis hebben. En die betekenis achterhaal je eigenlijk niet meer als het voorschrift van de uitleggers aan je "moeite" een eind maakt!
In Lev. 19: 10 lezen we aan het eind een enkel kort zinnetje ... "Ik ben de HERE, uw God".
Dat wil zeggen, dat iedere Israëlietische boer zich bij het bekijken van de rand van zijn akker moest stellen voor het aangezicht van de HERE om dan vervolgens en van dáár uit zijn aandacht te richten op de armen en de vreemdelingen. Hij moest zich telkens weer stellen voor het evangelie van de Naam: "HERE" - de God die werkelijk tegenwoordig is, de God van het Ieven, de God die Israël heeft gered uit de dood van Egypte. Vol van barmhartigheid, liefde, trouw en macht. En... deze God is onze God. En als hij dat goed had gedaan, dan moest die boer zich richten op de armen en de vreemdelingen in zijn omgeving, in een werkelijke overweging van hun noden. En dan? Dan moest hij het weten... de rand, de bréédte ervan. Zoals bijvoorbeeld "Boaz wist hoeveel aren er voor Ruth op de grond moesten blijven liggen! Wie zijn hart sloot voor de armen, die sloot zijn hart óók voor de HERE. En dan wordt die heilige Naam een dreiging.
Dan kom je te weten, dat de HERE niet een denkbeeld is, dat je straffeloos kunt negeren, naar dat Hij er wèrkelijk is ... de heilige God!
En het is toch erg te betreuren dat het voorschrift van de uitleggers het volk Israël juist deze "heilige moeite" heeft bespaard.
Het volk behoefde zich immers niet meer te stellen voor het aangezicht van zijn God ... niet meer voor het evangelie van de Naam, niet meer voor de heiligheid van die Naam. Het "eindresultaat", het "eindbedrag" was immers toch al bekend! En wij mensen zijn zo plat van ons zelf! Waarom zou je een som gaan maken, als je toch de uitkomst al weet!
We zien hier de wonderlijke waarde van zo'n "open" gebod.
Het heeft een uiterst belangrijke funktie tussen de "gesloten" geboden die de HERE heus ook wel gegeven heeft (de tienden!).
Het houdt met kracht de weg open. En het uitzicht op de HERE.
Zijn Naam brengt tot dankbaarheid.
Als mensenvoorschriften het gebod gaan sluiten, dan wordt de weg gebaand... neen, niet maar naar eenvormigheid, maar naar een totale omkering van het gebod.
Het wàs een oproep om je te stellen voor het aangezicht van de HERE.
Het wordt een mogelijkheid om de konfrontatie met de HERE te voorkómen.
Het wàs een oproep om de Naam te laten heersen in je leven.
Het wordt een mogelijkheid om je tegen de heiligheid van die Naam te beveiligen.
Het wàs de oproep tot een open gemeenschap met de HERE.
Het wordt de mogelijkheid tot een afsluiting van je leven tegenover de HERE.
Als wij onze belasting betalen hebben we immers meestal ook niet het gevoel. dat we ons géven aan onze overheden, maar dat we gelukkig weer van hen àf zijn!
We hebben ons weer veilig gesteld tegen alle strafvordering.
De rand en de preek
Ik herinner me een tijd -- niet zo lang geleden -- dat de prediking altijd komen moest met geslóten voorschriften. Als een predikant sprak over de dienst des HEREN, zoals deze ook op het politieke terrein van ons werd gevraagd, dan was zijn preek mislukt, als hij er niet bij vertelde wat je moest stemmen. Werd de kring niet in die laatste konkretisering geslóten, dan was hij "in het vage" gebleven.
Het was ook niet mogelijk over liefde te spreken zonder dat zeer precies werd aangegeven in welke hàndelinqen die liefde zich had te uiten.
Men riep en men roept nog in allerlei verbanden om het "eindbedrag".
Is dat werkelijk altijd het verlangen het gehele leven aan de HERE te geven in dankbare dienst? Is het op een heel verborgen manier soms ook niet het verlangen de diepte van het hart aan de HERE te onthouden?
Zien wij er in het verborgene niet tegenop ons werkelijk te stellen "coram Deo", voor het aangezicht van de genadige en heilige God?
Kunnen we er niet op uit zijn de werkelijke overgave aan de HERE onder "werken" te begraven?
Laat de les van het "vage" randvoorschrift niet vergeten worden.
Houd bij alle gebodsuitleg het uitzicht op de levende God ópen!
Anders dreigt ons altijd het gevaar, dat zijn dienst schijnbaar wordt beleefd in - maar in werkelijkheid vervangen dóór - een patroon van handelingen!
Maar de bijbel spreekt toch heel konkreet? Denk eens aan Johannes de Doper, als hij het heeft tegen de tollenaars en de soldaten (Luk. 3: 12-14)? We hopen hier een volgende keer nog wat op door te gaan.