JEREMIA
1977-01-07
Eet maar raak- Jaargang 21
- nummer 1
Dat zei Jahweh ook tot Israël: Gooi de hele boel, brandoffers en slachtoffers, maar op een hoop.
En eet maar raak. Zwelg er maar in. Het laat Mij koud (7 : 21).
Dat is een erg opvallend woord.
Offeren was immers juist iets dat Israël nu weer helemaal volgens de regels van Gods wet deed. In de mozaïsche wetten wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen brandoffers en slachtoffers (vgl. Lev. 1-7). Bij een brandoffer werd het offerdier, nadat het gevild was, 'helemaal verbrand.
Maar bij een slachtoffer werd slechts een gedeelte van het offerdier (nI. de vetstukken en nieren en liever) verbrand. De borst en de rechter schenkel waren voor de priester. En de rest van het dier werd door de offeraar en zijn gezin gegeten als een offermaaltijd (Vgl. 1 Sam. 1 : 4).
Voor de vondst van het wetboek werd dit onderscheid niet meer in acht genomen en werd er ook van brandoffers gegeten. Maar dank zijde reformatie van Josia werd het onderscheid tussen brandoffers en slachtoffers weer streng gehandhaafd en werden de brandoffers weer volledig verbrand. De voorschriften van de HERE werden op dit punt dus weer nauwkeurig opgevolgd. En je zou verwachten dat de HERE zou zeggen: Fijn dat jullie op dit punt weer teruggekeerd zijn tot Mijn Woord. Maar blijf daar nu niet steken. Ga verder opdat goede spoor.
Iets dergelijks zou de HERE zeker gezegd hebben, als het met het hart van het volk in orde geweest was. Maar daar zat het fout. En daarom reageert Jahweh nu heel anders en zegt Hij: Wat maken jullie je toch druk over dat onderscheid tussen brandoffer en slachtoffer. Voor mijn part klutsen jullie de hele boel door elkaar en eten jullie al het vlees van alle offers. Het interesseert Me niets.
Dachten jullie soms, dat het stipte naleven van offervoorschriften het punt was, waar het Mij om gaat? Geen sprake van. Ik ben· op zoek naar iets heel anders: Hoort naar mijn stem, dan zal Ik u tot een God zijn en zult gij Mij tot een volk zijn en wandelt op de ganse weg die lk u gebied, opdat het u welga (7: 23). Daar gaat het om. Om een levenswandel in overeenstemming met Mijn Woord.
Als die er niet is, kan heel dat nauwgezette in acht nemen van offervoorschriften Me geen lor schelen.
Vetoogjes
De HERE zegt het heel kras: Ik heb uw vaderen geen gebod gegeven inzake brandoffer en slachtoffer (7: 22) . Als je dat leest, is je eerste reactie: Nou, nou! En al die voorschriften in Exodus en Leviticus dan?
Ziet u, dit is nu zo'n uitspraak in de Schrift waarmee je helemaal de mist in kunt gaan, als je het verband en de historische achtergrond niet in rekening brengt.
Helaas gebeurt dat verwaarlozen van verbanden en achtergronden ontzettend vaak Ook bij oprechte christenen komt het voor. Er zijn b.v. hele boomstammen die in de bijbel alleen maar op zoek zijn naar persoonlijke woorden voor de "ziel". Dan ziet men de bijbel eigenlijk als een pan met soep, waar bepaalde teksten ah oogjes vet bovenop drijven. Dan leest men een bijbelgedeelte net zolang, totdat men zo'n oogje ziet drijven en dan schept men dat eraf. Dat er ook nog vermicelli bestaat en gehaktballen en dat die samen met de vetoogjes de soep vormen, vindt men nier zo belangrijk. De verbanden en achtergronden laat men gewoon Iinks liggen. Men is alleen maar 'op zoek naar die kleine, persoonlijke knipoogjes van God. Maar doordat men zo het verband laat voor wat het is en zo’n tekst er zonder meer uitlicht, krijgt die tekst onvermijdelijk een heel andere functie en betekenis dan de HERE eraan gegeven heeft. En dat is een erg riskant bijbelgebruik. Hoe riskant het is, is goed duidelijk te maken aan de hand van deze woorden van Jahweh uit Jer. 7 : 22.
Knippen
Als men achtergrond en verband bij deze woorden niet in rekening brengt, komen ze als een zelfstandig gegeven op eigen henen te staan. Dan gaan ze een eigen leven leiden en komen ze keihard tegenover de mozaïsche wetten te staan, waarin immers wel degelijk voorschriften voor de offerpraktijk gegeven wonden. Je kunt dan nog maar twee kanten uit. De eerste mogelijkheid is, dat je uitgaat van de offervoorschriften in de mozaïsche wetten. Dan moet je concluderen, dat Jer. 7: 22 niet juist is en een verkeerde voorstelling van zaken geeft. En als je dan nog één stapje verder gaat, zeg je: Als er ten aanzien van een zo belangrijk gegeven als de offers in de bijbel zulke elkaar volkomen uitsluitende uitspraken staan, is de betrouwbaarheid van de bijbel niet zo erg groot.
De tweede mogelijkheid is, dat je uitgaar van de juistheid van Jer. 7 : 22. Maar dan wordt deze tekst een hefboom om de mozaïsche wetten uit elkaar te wrikken. Dan ga je zeggen: Er wordt in die wetten wel gedaan alsof de offervoorschriften door God in de woestijn gegeven wenden, maar dat is blijkens Jer. 7 een door en door onjuiste voorstelling van zaken.
En ook dan wondt de gedachte in de hand gewerkt: een boek waarin zulke tegenstrijdigheden voorkomen. kan toch niet het Woord van God zijn.
In beide gevallen gaat men in de bijbel knippen en bepaalde dingen en voorstellingen verwerpen, alleen maar omdat men geen rekening houdt met verbanden en achtergronden. En op die manier raakt men onherroepelijk de bijbel als Gods Woord kwijt.