MEMENTO MORI
1977-01-14
n.a.v., A. S. Ekelmans - v. Klaveren c.s., - Jaargang 21
- nummer 2
"Eerst geloven, dan zien".
Benedictus, Hilversum. f 13,50.
In vroeger eeuwen liet men vaak een notarieel testament opmaken: "uyt overweeging van de zekerheid des doods en van de onzekere tijd en uure van dien". Een Frans testament uit 1701 bevat de term: "overwegende de zwakheid van het menselijk leven, dat voorbijgaat als een schaduw, en dat niets zo zeker is als de dood en niets zo onzeker als de tijd van dien". Gaat u nog wat verder in het verleden terug, dan ziet u hoe langer hoe meer dat de dood, evenals de geboorte, een hoekdeel van het leven vormde. Bach schreef zijn orgelkoraal "Alle Menschen müssen sterben" op een begeleiding, waarvan de ritmische figuren steeds de woorden memento mori, gedenk te sterven, spellen.
'In de middeleeuwen kende de kerk doodsliederen. Men begroef zijn doden tussen de levende kerkgangers en was ermee vertrouwd. Zag men in zijn handlijnen niet duidelijk de letters M M van Memento Mori?
Merkwaardig. Onze welvaartstijd heeft zowel de kraamkamer als de sterfkamer naar het ziekenhuis verbannen. Geboorte en sterven "passen" niet in het kader van ons leven bij brood en spelen. Maar als we de Bijbel kennen weten we: dat ze erbij horen, bij ons leven. Dat we verstandiger doen als we naar een sterfhuis gaan dan naar een prethuis.
En dat ons leven niet anders is dan een "gestadige dood" - een afsterven van de oude mens, een toegroeien naar het eigenlijke leven.
Dit boekje is uitgegeven om u vertrouwd te maken met het einde van elk mensenleven. Om de zin van uw leven te verstaan. Om de christelijke liefde te leren betrachten ten aanzien van de naaste, wanneer die daar het meest behoefte aan heeft.
Adriaan Valerius zong: "Gelukkig is hy die leert sterven d'wyl hy leeft end' sich tot God, ons aller erven, vroeg begeeft". Nu, daarover gaat het zeldzame boekje, dat hierboven werd genoemd. Want alleen hij, die zelf geleerd heeft de tijdgelijkheid van zijn aards bestaan te aanvaarden, kan anderen helpen.
Er is sinds enkelé jaren enige openheid gekomen ten aanzien van de dood. Het taboe is doorbroken: u kunt op de beeldbuis een sterven meemaken, terwijl u verder snoept en drinkt. Met name Henk Moehel deed goed werk geen sensatie maar een greep naar de vragen rondom de dood. Over het algemeen is de litteratuur echter nog te zeer filosofisch, te zeer psychologisch en humanistisch van aard - dan dat de christen er baat, laat staan troost, bij vindt. Het bovengenoemde boekje is echter een gezonde klank; een stukje christelijke naastenliefde-tot-de-dood. Ik hoop dat vele gezinnen het zich zullen aanschaffen: om vertrouwd te raken met de "doorgang tot het eeuwig leven"; om te leren "sterven d'wyl men leeft". Want er zal geen gezin zijn, jong of oud, of het kan morgen met de dood in aanraking komen. Dan helpen uitvluchten niet om antwoorden te vinden op de vragen, waarmee u zou komen te zitten. "Wie de dood onder ogen durft te zien leert ook te sterven bij het leven", zegt een der schrijvers. "Het (boekje) draagt bij aan een goede levensinstelling".
Het boekje "Eerst geloven, dan zien" is geboren uit de samenwerking van 5 schrijvers: een gewezen maatschappelijk werkster, een directrice van een verzorgingstehuis, een internist, een predikant en een bioloogvoorlichter.
Elk heeft voor zijn deel een christelijke visie gegeven (gedragen door theoretisch inzicht, versterkt door ervaring) op de taak van ons christenmensen, om de naaste bij te staan op zijn laatste levensweg. De individuele visie garandeert een meerzijdige belichting, die soms enige tegenspraak toelaat; allen zijn echter uitgegaan van de Bijbel.
Dr A. J. H. Thiadens, bekend van het boek "Doodgaan is nog geen sterven", geeft enkele fijne schetsen van wat een doodzieke ervaart , en denkt. Zonder enige fantasie - alleen doorleefde realiteit.
Dr J. R. Poelman geeft een overzicht van wat zich aan ziek- en sterfbedden kan afspelen. Zijn kracht zit in het voorbereiden en begeleiden van een onherstelbare zieke. "Stervenshulp is eigenlijk levenshulp tijdens de laatste levensfase". Hij schrijft over het hoe en wanneer mededelen van de waarheid. Daarbij onderscheidt hij (evenals dr E. Kübler-Ross in "Lessen voor levenden") de reacties van de patiënt, die kunnen uiteenlopen van ontkenning, verzet en zeuren tot moedeloosheid en aanvaarding; waarbij de stadia dooreen kunnen lopen, verwisseld worden of overgeslagen, al naar het vermogen van de patiënt tot verwerking en aanvaarding van de realiteit. "Sterven is ook een kunst" zegt hij, "die geleerd moet worden in de periode van het ziek zijn". Of eerder, zouden wij willen stellen.
Zr M. A. Karsemeyer schrijft over de rol van de verpleegster en die van de patiënt in het laatste bedrijf. De patiënt, die soms een genummerde onpersoonlijkheid moet spelen. Het ziekenhuispersoneel, de familie en de vrienden, die vaak voor hem denken en handelen. Een toestand van ontmenselijking, die nodig opgeruimd moest worden. Terecht schrijft ze, dat we de hartekreet van de patiënt dienen te verstaan: "ik wil er nog bij horen, ik led nog, laat me niet in de steek!".
Ze wijst er op, dat de zorg voor de ernstige patiënt 168 werkuren per week betekent, en dat het personeel elk slechts 40 uur kan opbrengen; zodat een patiënt steeds met wisselende gezichten en personen te maken krijgt, hetgeen de contacten steeds vluchtiger, de eenzaamheid steeds groter maakt. Daarom pleit ze voor "thuis sterven" - maar dan met voldoende verpleegkundige hulp. Hetgeen voor ziekenfondsen altijd goedkoper zou uitkomen dan ziekenhuisopname.
Ds Jac. J. Rebel levert het slothoofdstuk "Sterven bij het leven - leven bij het sterven". Volgens prof. dr K. J. Popma is deze bijdrage de belangrijkste. En inderdaad is hetgeen ds Rebel schrijft uiterst behartigenswaardig; niet alleen omdat hij het sterkst de Schrift laat spreken - ook omdat hij ons leert te "luisteren" naar de medemens-in-nood, "Het luistert nauw in een gesprek", constateert hij. Hij kent "de liefde, die overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid om te onderscheiden waar het op aankomt". Hij kent ook de “ontlediging”. Kostelijke zaken, die bij het Bijbellezen vaak worden overgeslagen.
Intussen komt ook hij (gelukkig) niet uit alle vragen. Enerzijds citeert hij bij voorbeeld Paulus: dat de dood onze laatste vijand is. Anderzijds citeert hij Mozart, die de dood "deze echte vriend van de mensen"
noemde. Wij zouden hier niet graag een keuze tussen maken.
Niettemin is voor ons het sterkste hoofdstuk het vraaggesprek, dat Mw. A. S. Ekelmans-van Klaveren heeft gehad met een echtpaar. Dat echtpaar heeft enige jaren geleden twee grote zoons moeten afstaan en is deze verliezen in het geloof te boven gekomen. Hier is geen theoretische bespiegeling meer mogelijk. Hier staat u bewogen en beschaamd te luisteren naar een stukje christelijke geloofsbelijdenis: meer nog: te kijken naar een stukje christelijke levenswandel. Wandelen uit geloof - niet uit aanschouwen. Wij moeten immers, in tegenstelling tot Thomas, "eerst geloven, dan zien".
De ouders hebben bewilligd in een interview over het heengaan van hun twee kinderen. Ze deden dat, opdat zij u van dienst mochten zijn.
Ze vertelden desgevraagd openhartig, hoe hun zoons en zij de kracht ontvingen - elke dag genoeg voor de beproevingen van elke dag om Gods leiding dankbaar te aanvaarden.
U moet dat zelf maar lezen. U zult merken, dat geen twee sterfbedden gelijk zijn. Ook dat ziekenhuizen zeer uiteenlopend kunnen zijn in de behandeling van hun patiënten. Het ene behandelt u als een gewichts~ hoeveelheid vlees en been: het andere als een volkomen en veelzijdig mens. Het een lijkt op een fabriek - het andere biedt alle faciliteiten, opdat ziekte en sterven meegedragen kunnen worden door de naastbestaanden.
En u zult merken, hoe belangrijk het gebed der gezonden voor de zieke kan zijn. Hoe belangrijk het is te durven zeggen: ik zal voor je bidden.
Een jongen zei: er zijn nu over 260 mensen, die voor mij bidden. Zei Jacobus niet, dat het gebed van ouderlingen een zieke kan genezen?
U zult ook merken, hoe belangrijk het voor opgroeiende kinderen is, als ze vroeg met leven-en-dood vertrouwd zijn gemaakt. Dat een dagelijks lezen van Gods Woord onze gezinnen opvoedt tot zaligheid. Dat de confrontatie met de tijdelijkheid van ons aardse bestaan alle taboe's opruimt en vervangt door openheid.
Ook zult u merken, dat kinderen Gods bereid worden gemaakt, om Gods leiding te aanvaarden, wanneer dat het einde betekent. Oude mensen spraken wel van "stervensgenade". Ze bedoelden dat de Heere in zijn grote genade voor ons de angel van de dood wegneemt.
Dat bedoelde ook Franciscus van Assisi, toen hij de dood zijn ..zuster" noemde. Hij dichtte dat laatste couplet van zijn "Zonnelied" pas vlak voor zijn sterven: toen hij zich met Gods leiding had verzoend.
En ten laatste zult u, hoop ik, bemerken dat er nog gezonde, echt christelijke gezinnen bestaan - in deze rotte en ondergaande wereld.
Kostbare bouwstenen in de kerke Christi. Zichtbare bewijzen van Gods werk aan onze harten. Want na het geloven wordt ons ook het zien vergund.