De "zaak - ds Telder"
1977-01-14
Ten gevolge van het verschijnen van het maandblad Saamhorig - de verschijning die we van harte toejuichen - is in de pers van onze "binnenverbandse" broeders weer druk geschreven over de "ketterij" van ds Telder.- Jaargang 21
- nummer 2
Niet om polemiek uit te lokken, maar om de nuchtere werkelijkheid en waarheid in het licht te plaatsen wil ik hier iets over, zeggen.
Zoals men - misschien! - zal weten is ds Telder voor een aantal jaren aangevallen in verband met een paar zinnen 'uit een boek van hem die handelen over de toestand van de gelovigen tussen hun dood en de jongste dag.
Zijn "zaak" werd op een classicale vergadering en een particuliere synode behandeld. Door beide werd ds Telder veroordeeld. Op de laatste op grond van een zéér omvangrijk en zeer geleerd rapport.
Ten aanzien van deze "zaak-ds Telder" wil ik de volgende opmerkingen maken.
Ie. Het gevoelen van ds Telder werd niet algemeen aanvaard. In Opbouw schreven o.a, prof. Jager, prof.
Popma, ondergetekende e.a. daartegen ~ ik mag wel zeggen in een broederlijke discussie.
2e. Door de classis en de particuliere synode die ds Telder veroordeelden is hij nooit "gehoord". Precies als de "synodale" kerkelijke vergaderingen dat deden in de jaren veertig, hebben t.a.v. ds Telder ook de "vrijgemaakte" kerkelijke vergaderingen een aangeklaagde "onverhoord" veroordeeld.
3e. Door ds Telder werd zijn bewuste opvatting nooit in prediking of onderwijs naar voren gebracht.
Hij beschouwde die als een particulier gevoelen waaromtrent discussie mogelijk en, gewenst was, maar die men niet als een "goddelijke waarheid" moest verkondigd worden. Hij handelde in dit opzicht precies zo als indertijd de bekende ds J. van Andel.
Die geloofde dat Christus tweemaal zou weerkomen, tussen welke komsten er het duizendjarig rijk zou zijn. Ook hij schreef erover, maar "preekte" en "leerde" het niet. De Afgescheiden Kerken maakten ds Van Andel praeses van de synode en curator van de Theologische School!
4e. Als men dat ds Telder gevraagd had, broederlijk en zonder wantrouwen, zou hij volgaarne toegezegd hebben niet meer over deze kwestie te spreken. Hij heelt het trouwens voor zover ik weet niet meer gedaan!
5e. Toen het "vonnis" over de Telder was geveld - het heeft geen enkele rol gespeeld bij de scheuring in de kerk van Breda! - heeft ds Telder een Verklaring van Gevoelen aan de kerken rond gezonden.
Ik zal die nu hier opnemen:
Verantwoording
Nu de Particuliere Synode van het Zuiden onzer kerken haar uitspraken heeft gepubliceerd inzake enkele bezwaarschriften, die bij haar ingekomen waren van de zijde van de kerkeraden der Gereformeerde kerken te Bedum, Hoogeveen en 's-Hertogenbosch, en die de uitgave van mijn boek "Sterven .. , en dan?" betreffen, hebben de kerk van Breda en de zusterkerken recht op de volgende verklaring mijnerzijds:
1e. Dat ik van harte de Drie formulieren van Enigheid onderschrijf ais accoord van kerkelijke gemeenschap.
2e. Dat ik nog altijd sta voor de handtekening door mij eenmaal gesteld onder het Ondertekeninqsformulier voor de Dienaren des Woords in deze zin, dat alle artikelen en stukken der leer in de Belijdenis, de Catechismus en de Leerregels van Dordrecht, door mij geacht worden in alles met Gods Woord overeenkomend te zijn, en dat ik deze leer nog altijd voorsta, en tegen geen. enkel stuk van de leer bedenkingen heb.
3e. Dat ik ook geen bedenkingen heb tegen wat de Catechismus naar Gods Woord in Antw. 57 bedoelt uit te spreken, te weten: dat er een voortbestaan is na de dood; dat deze dood Gods kinderen niet kan scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here: dat naar de woorden van Pred. 12: 7 bij het sterven van de mens het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft; dat zij deswege bij hun sterven hun geest in Gods - handen mogen aanbevelen en aan de Here Jezus, die een Heer is van levenden en doden, mogen toevertrouwen; dat van de qeloviqen, ook als zij gestorven zijn, geldt dat hun leven met Christus verborgen is in God; dat de gestorvenen niet eerst nog een zielereiniging moeten ondergaan in een zogenaamd vagevuur, en: dat allen, die in de graven zijn, de stem van de Zoon des mensen zullen horen, en dan zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de opstanding ten leven, wie het kwame gedaan hebben tot de opstanding ten oordeel.
Dit alles is rechtstreeks op Gods Woord gegrond en wordt door mij van harte geloofd, geleerd en beleden.
4e . Dat mijn boek "Sterven ... en dan?" in hoofdzaak gericht is tegen de leeruitspraak van de Generale Synode der Gereformeerde Kerken van 1942 aangaande de onsterfelijkheid der ziel. Maar aan de theologie van deze leeruitspraak is, evenmin als aan de andere toen gedane leeruitspraken, geen enkele ambtsdrager in onze vrijgemaakte kerken gebonden.
5e. Dat het naar het oordeel tot de libertas profetandi in onze kerken behoort, bedenkingen te mogen hebben tegen de wijze, waarop onze vaderen als kinderen van hun tijd, bepaalde- leringen onder woorden hebben gebracht. Zo ben ik van gevoelen, dat zij de leer en de troost van de wederopstanding des vleses meer Schrift getrouw hadden kunnen weergeven dan met name in de eerste zinsnede van Antw. 57 der H. Cat. geschiedt. Het is voor ieder duidelijk en van meerdere kanten ook in onze kerken uitgesproken, dat die vaderen vanuit een onbijbelse anthropologie spreken van de ziel, die afgescheiden van het lichaam, dus lichaamloos, tot Christus als Hoofd van de ziel zou worden opgenomen, om later weer met het opstandingslichaam verenigd te worden.
Daardoor wordt de gedachte gevoed: dat wel het lichaam, maar niet de ziel aan de dood onderworpen zou zijn, wat in strijd is met de Schrift, die leert dat we als ganse mens aan de dood onderworpen zijn, en: dat wél het lichaam uit de doden zal opstaan, maar niet de ziel, die immers niet aan de dood onderworpen zou zijn geweest, wat evenmin in overeenstemming met de Schrift geacht kan worden, omdat deze leert, dat we als ganse mens uit de doden zullen opstaan.
6e. Dat het uitspreken en publiceren van deze bedenkingen naar mijn oordeel geen grond biedt om mij te beschuldigen van ontrouw ten aanzien van het Ondertekeningsformulier. Dit formulier toch verlangt van de Dienaren. des Woords de erkenring, dat alle artikelen en stukken der leer, 10 de belijdenisgeschriften begrepen, in alles met Gods Woord overeenkomen.
Dit "in alles' legt de ondertekenaars niet vast op elke uitdrukking, ter zeggingswijs, bewijsvoering of uitleg van Schrift na..', waarin de belijdenis zich uitspreekt, wil men niet tot confessionalisme vervallen.
De ondertekenaars hebben zich dan ook niet verplicht, om bij het ontdekken en constateren van minder gelukkige formuleringen en onjuistheden en niet verantwoorde tekstverklaring, deze stuk voor stuk in de weg van qravamina op de kerkelijke tafel te brengen.
Zo is het dan ook in onze kerken tot op vandaag toe nooit verstaan en toegepast.
7e. Tenslotte wil ik er op wijzen, dat buiten Antw. 57 van de H. Cat. in de drie Formulieren van Enigheid nergens een bepaalde tussentoestandsleer wordt voorgestaan, laat staan als geloofsartikel of kerkelijk dogma tot uitdrukking wordt gebracht; dat op geen enkele plaats in de heilige Schrift met even zoveel woorden gezegd wordt ten aanzien van de gestorven gelovigen "dat hun ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden"; dat hetgeen in theologische verhandelingen of stichtelijke lectuur inzake het voortbestaan van gestorven gelovigen wordt beweerd. zoals "dat ze nu reeds de hemelse zaligheid genieten" , "nu reeds de hemelse blijdschap smaken", "nu reeds als "zielen" juichen voor Gods troon" verder gaat en meer zegt, dan in Antw. 57 van de H. Cat. staat uitgesproken, en zeker niet als kerkelijke confessip gelden mag.
Tegenover alle pogingen om op een of andere wijze, hetzij met vermeende Schriftuurlijke argumenten, hetzij in de weg van theologische redeneringen, de "onsterfelijkheid der ziel" als kerkelijke leer te handhaven, herinner ik aan wat ds H. Bavinck in zijn "Gereformeerde Dogmatiek" (IV, 656) heeft neergeschreven: "de Schrift maakt er nooit met even zovele woorden gewag van; zij kondigt haar nooit als een Goddelijke openbaring af en stelt haar nergens op den voorgrond; en nog veel minder stelt zij ooit enige poging in het werk, om hare waarheid te betogen of deze tegenover hare tegensprekers te handhaven".
B. Telder
Deze "verantwoording" schreef ds Telder nadat hij door de particuliere synode van het Zuiden was veroordeeld.
En hij zond deze verantwoording toe aan alle kerken.
Als men dit alles overweegt komt de vraag op: moet een man die dit alles van harte verklaart veroordeeld worden door een synode? Zijn we tot de synodale handelingen uit de jaren veertig teruggekeerd? En nu spreek ik er niet eens van dat ds Telder een herder van de gemeente is geweest van zeldzame trouwen toewijding.
Ik wil in dit verband wijzen op een prachtig boekje van ds Telder dat veel te weinig aandacht heeft gekregen.
Het heet "Noodzakelijke Wetenschap". Onder deze titel staat: "Wie de HERE is en hoe wij Hem dienen mogen" ~ "Leerboekje tot onderwijzing in de christelijke godsdienst met aanwijzing voor de lesbespreking ten dienste van catecheet en docent en als leidraad voor qespreks- en bijbelkringen". Het volgt de gang van de Heidelbergse Catechismus.
Het is m.i. een voortreffelijk boekje. Geschreven in eenvoudige taal. "Vroom" in de beste zin van het woord. Iedere catecheet die er geen kennis van neemt doet zichzelf schade! In Les 21 over de "Wederopstanding des vleses" leest men daarin onder het kopje: "De troost der wederopstanding" het volgende: "Zij die in de Here sterven mogen verzekerd zijn, dat ook de dood hen niet zal kunnen scheiden van Gods liefde in Christus Jezus. AI zijn ze dan in het graf bij de doden, ook dan is hun leven "met Christus" verborgen in God. Geborgen in de almacht van Gods liefde in Christus mogen ze, ook bij het ingaan van de dood, meer dan overwinnaar zijn en wachten op de wederkomst van hun Heer." En daarbij wordt dan o.a. afgewezen de qriekse leer van de onsterfelijkheid der ziel (alleen de gelovigen zullen onsterfelijkheid “aandoen" (1 Kor. 15: 51). En de "Koning der Koningen en de Here der Heren "heeft" alleen onsterfelijkheid (1 Tim. 6: 16) - C.V.); voorts de roomse leer van het vagevuur en de doperse leer van de zieleslaap.
Men mag het dan niet in alles met ds Telder eens zijn, de vraag blijft: is deze man iemand, die Jezus Christus niet in zijn kerk als ambtsdrager dulden wil?
Op deze vraag antwoord ik van ganser harte: neen.
P.S. In het artikel van de vorige week stond een zinstorende drukfout. Er staat in het begin: "de regeringen van de staten achter het ijzeren gordijn" dat moet zijn "de zegeningen van de staten achter het ijzeren gordijn."