Vlammen aan de horizon (3)

1977-01-21
  • Jaargang 21
  • nummer 3
Het boek van Mink van Rijsdijk, dat onder bovenstaande titel verschenen is, moeten we beslist niet kritiekloos lezen. Dat is nu wel duidelijk geworden. En toch is het het lezen dubbel en dwars waard. Het is als reisgids voor Soemba echt goed en nu we het derde motief bespreken, zal dat ook wel blijken.
We komen met Joost en Grit op Soemba aan en ervaren heel intens de sfeer van het land. We maken kennis met het volk, leden van een christelijke gemeente, met naam-christenen zowel als met broeders en zusters-in-de-HERE. De schrijfster kijkt de mensen in hun hart, legt daar iets van bloot en we gaan met haar mee. Dat doen we door een aantal citaten te lezen. “Sumba lag bruin, met hier en daar diep-zwarte hellingen te schroeien onder de onbarmhartige stralen van de zon, toen Grit het voor de eerste keer zag. (….) Over die hellingen had pake zijn paard gedreven – maar waarheen? Ze vlogen laag, ze zou dorpen en huizen moeten zien, maar ze ontdekte niets. Uitgemergeld en verdorst waren de heuvels, platgebrand de hellingen. Soemba leek dood, de inwoners mee omgekomen – weggevaagd. Onherbergzaam, nors en ruig was alles, niet toegankelijk voor levende wezens. Was dat haar droomland? Had ze hiernaar verlangd? Ergens moest toch water zijn, moeten toch mensen wonen, kinderen spelen. Bomen – waarom zag ze nergens een boom? Hier en daar stond dood en onheilspellend een zwart geblakerde stam; eens had hij schaduw verspreid onder zijn bladeren, de droeve stomp die er overgebleven was, had daar geen weet meer van. “
“Het was allemaal nieuw, vreemd en onbekend, toch klopte het met het beeld dat ze zich had voorgesteld. Er was ongetwijfeld veel veranderd sinds haar grootvader het eiland verlaten had. (…) Bij vroeger vergeleken waren er nu meer huizen, scholen en gebouwen, maar de sfeer die pake met zijn verhalen bij haar had opgeroepen, bleek onveranderd gebleven, de sfeer van bruine mensen langs stoffige wegen, van droogte en ruige hardheid, ook van traag tempo en indolentie.”
In dat land ziet ze ’s avonds vlammen aan de horizon. De Soembanees is bezeten van vuur. “Het was bekend dat hun woede regelmatig en snel uitmondde in het in de fik zetten van andermans spullen. Ze speelden graag met vuur; de vele verbrande heuvels getuigden daar ook van. Het kon hun inmiddels al lang duidelijk zijn dat hun idee de groei van het gras te bevorderen door platbranden van de stoppels niet helemaal juist was. Al te veel bomen gingen ook verloren in de vlammen, de grond raakte uitgeput. Overal ontstond erosie. Maar het vuur bleef de Soembanees fascineren en al groeide er op menige helling geen boompje en geen grasspriet meer als bewijs van hun ongelijk, het vuurtje stoken bleef een ware hartstocht. De lange periode van grote droogte droeg het zijne er toe bij dat een brand altijd het definitieve einde betekende van dat wat aangestoken was. Werkelijk blussen was er niet bij, hoogstens het voorkomen van nog meer chaos.” “Op verschillende plaatsen aan de onzichtbaar geworden horizon laaiden branden op. Ze huiverde – vuur, altijd weer vuur, dat met gretige vlammen het stoppelige land opvrat. Wanneer zouden de mensen eindelijk leren dat hun theorie over vruchtbaar maken niet klopte en dat de branden nieuwe groei niet bevorderden maar juist het tegengestelde werd bereikt? Ondanks alles onderging ze toch ook iets van die wonderlijk fascinerende werking die van vuur kan uitgaan. Eigenlijk was het ook gewoon mooi, die geeloranje gloed van de op en neer deinende vuurmassa’s.”
In dát land wonen Joost en Grit, erg geïsoleerd. Joost heeft elke dag zijn werk, Grit niet. De warmte valt tegen de middag op haar en ze is alleen. “De eenzaamheid leek niet te doorbreken. Ze keek van de pasar (markt) weg naar de wazige horizon. Hoe had ze die eindeloze bruine vlakte toch mooi kunnen vinden toen ze hier pas was? Het ruige ervan had haar geboeid, maar het maakte nu het gevoel van verlatenheid alleen groter. Dat troosteloze, uitgemergeld, droge land riep een fel heimwee in haar wakker. Hoe verlangde ze naar wat groen, naar kleur en leven, maar het meeste nog naar groen. Het erf rond haar huis was steenachtige en kaal, er groeide geen sprietje. Een enkele kapokboom stond bladerloos met zijn horizontaal uitgestrekte takken dorstig te wachten op regen. Regen, die zeker nog twee maanden weg zou blijven.” Op een dag wordt het haar te veel en ze wil er uit. In de omgeving van hun standplaats is een koele, waterrijke streek, want daar is een bron. Ze pakt spontaan de jeep en rijdt weg, geniet van haar uitstapje. “Zittend aan de rand van het riviertje stak ze haar voeten in het water. Boven haar hoofd ruisten beschermend de kronen van palmbomen, ritselde het hoog opgeschoten bamboe. Ze hoorde hoe apen rumoerig te keer gingen, kakatoe’s schreeuwden. Het heldere water uit de bron leek een goede vriend die van onbekende diepte koelte en mildheid bracht. “En dan komt ze tegen de avond thuis, vol goede moed. Ze kan er weer tegen. Maar dan…. Het blijkt dat ze ongeschreven wet overtreden heeft. Joost had zich maandenlang ingespannen de Soembanese medewerkers duidelijk te maken dat ze van de jeep moesten afblijven. Die was er enkel voor het bedrijf. “De landrover en de jeep zijn vervoermiddelen van het bedrijf. Op die rotwegen hier slijten ze als de pest en we moeten er zuinig op zijn. Iedere liter benzine moet betaald worden, maar bovendien verantwoord zijn.” Ze wist er niets van, stond buiten Joost’s werk en doen en nu had ze hem, voor de ogen van de Soembanezen, eigenlijk te schande gezet. “Beschaamd gemaakt”, en zo duidelijk. En dat kan niet in die verhoudingen. “Ze begreep wel dat het allemaal erg gekompliceerd was, juist omdat het leven van de Soembanees werd beheerst door adat, gewoontewetten, die hij uit zijn bestaan niet weg kon denken. Christen of niet, iedereen zat in de ijzersterke greep van de adat. Van westerse normen en voorschriften begreep hij de zin lang niet altijd. Ook hier op de terreinen waren zulke regels opgesteld en Joost vocht er met overtuiging voor dat er de hand aan gehouden werd. (…) En zij – juist zij – had nu een daverende demonstratie gegeven, die niemand ontgaan was en die iedereen voor een fraai staaltje in insubordinatie zou verslijten.”



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief