Christelijke apologie
1977-01-28
Maar heiligt de Christus in uw harten als Here, altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze, en met een goed geweten ...- Jaargang 21
- nummer 4
1 Petrus 3: 15,16
Het woord apologie zal niet meer zo bekend zijn als, zeg maar, voor de oorlog. In Rooms-Katholieke kring kende men voor de oorlog een apologetische vereniging en in Reformatorische kring heeft men ook wel een tijdschrift voor apologetiek gehad. Dr A. Kuyper gaf de Apologetiek een plaats in de encyclopaedle der Heilige Godgeleerdheid. Dat was dan een onderdeel van de antithetische vakken.
Het woord is misschien een beetje vergeten, maar ik hoop de zaak niet. Al behoeft het niet onthouden te worden zoals dr Kuyper erover schreef. het dient wel te onthouden en onderhouden te worden. zoals Petrus het hier bedoelt.
We moeten bereid zijn tot verantwoording. Gezien andere plaatsen in de Bijbel waar het woord ook gebruikt wordt zouden we ook wel kunnen vertalen "verdediging". Fil. 1 : 7. En Fil. 1 : 16 "Dezen verkondigen de Christus uit liefde, daar zij weten dat ik tot verdediging van het Evangelie gesteld ben ... "
In de positie van de verdediging waren de eerste lezers van Petrus' brief ook wel. Je krijgt niet de indruk dat er al sprake was van officiële vervolging. maar men vond het toch maar vreemd dat deze mensen christen waren geworden.
Het is ook niet voor niets dat Petrus hen aanspreekt als vreemdelingen en bijwoners. En ze waren geen vreemdeling geworden, omdat ze verhuisd waren van het ene land naar het andere of van de ene streek naar de andere, maar ze waren in eigen vertrouwde omgeving tot vreemdeling geworden, omdat ze het Evangelie hadden aanvaard van de dood en opstanding van Jezus Christus. Ze waren door de opstanding van Jezus Christus uit de doden wedergeboren tot een onvergankelijke hoop. Zij waren anders geworden. Hun omgeving niet.
En dat wekt natuurlijk bevreemding.
Ze hadden eerst meegedaan met alle heidense praktijken.
(-4 : 3). En toen zijn er mensen gekomen, predikers van het Evangelie, wat Joden en hielden op.
Ze deden niet meer mee. Een grote verandering.
Een zulk een grote verandering dat de omgeving het maar niet zonder meer nam. Dat is eigenlijk geen wonder. Ook voor heidense begrippen in die tijd hing de welvaart en het welzijn van een volk of van een stam of van een dorp af van het feit dat de religieuze plichten tegenover de goden stipt werden nagekomen.
Als je dat niet meer deed, dan kon dat tot de grootste rampen leiden. En dan komt de omgeving in opstand. Het wordt waarschijnlijk wel geen officiële vervolging, maar wel een officieuze.
De slaven konden van hun onredelijke meesters meer geslagen worden, omdat ze christen waren geworden. En vrouwen, die christen waren geworden konden in een situatie komen dat ze over het Evangelie niet eens meer praten konden tot hun heidense mannen (3 : 1).
Nu, in zulk een situatie zegt nu Petrus: denk erom, altijd bereid tot verantwoording!
Als wij in een situatie zouden komen, waarin het ons zo moeilijk werd gemaakt als deze eerste lezers, dan hebben wij het voordeel dat wij een eeuwenlange kerkgeschiedenis achter de rug hebben. En al zouden we het nergens uit weten. dan is uit die geschiedenis toch wel te leren dat de kerk niet zo maar, één, twee. drie. van de kaart geveegd kan worden. Dat heeft de duivel vaak geprobeerd, maar het is nooit gelukt. Maar deze mensen hadden zulk een geschiedenis niet achter de rug. Laten we zeggen, heel ruim gerekend, enkele tientallen jaren. Toen hadden ze zich overgegeven aan de Heiland als hun Redder en nu al moeten ze dat bekopen met allerlei moeite en plagerij. Het is geen wonder dat ze van deze ervaring vreemd opkijken. (-4 : 12).
En dan zegt Petrus: altijd bereid tot verantwoording. Tot apologie.
Tot verdediging.
Zou Petrus niet weten hoe moeilijk dat kan zijn en hoe moeilijk het vaak is? Nu, ik vermoed juist Petrus wel. Hij had de Heiland verloochend met vloeken en ede in de hof van Annas en Kajafas, juist toen de Heiland de goede belijdenis aflegde. Zo maar voor een dienstmeisje werd Petrus bang en van al zijn moed en overmoed was er niets meer over.
Maar daarom zal hij er bij zeggen: haal je moed bij de Heer.
Heiligt de Christus als Heer in uw harten. Erken dat aan Jezus Christus alle macht is gegeven in hemel en op aarde. Geloof dat.
Vertrouw op Hem. Hij heeft gezegd: "Zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld". En dat dient steeds bedacht te worden, als men tot verdediging wordt geroepen. Als men rekenschap van U vraagt.
Dan wordt men bewaard voor overmoed. Petrus zegt dan ook dat die verantwoording gegeven moet worden met zachtmoedigheid en vrees. Dus niet overmoedig, zoals Petrus was toen hij zich waagde in de hof van Kajafas.
En met vreze. Vreze van de Heer.
Dat betekent eerbied en ontzag voor Hem hebben.
Opvallend is dat Petrus zegt dat we klaar moeten zijn tot verantwoording van de hóóp, die in ons is. Er wordt niet gezegd: wees bereid te getuigen van je geloof. De kernwoorden in deze brief zijn wel de woorden vreemdeling en hoop. Want wat is het verschil tussen christenen en niet-christenen? Nu, dat is de hoop. De hoop is de verwachting van het Goddelijk herstel van alle dingen in Jezus Christus.
Mensen zonder God, zijn dan ook mensen zonder hoop. Mensen die God hebben gevonden in Jezus Christus zijn mensen met hoop, met zekerheid dat alle dingen nieuw worden. Dat ze zelf vernieuwde mensen zijn en dat aan alles wat verstorend werkt in deze wereld een einde zal komen.
Want God maakt alle dingen nieuw. We zijn niet meer zonder God en zonder hoop in deze wereld (Ef. 2: 11-22). Maar met God en daarom met een levende hoop. Een levende hoop, omdat we hebben een levende God en een levende Heer.
En dan moet het ook met een goed geweten. Men moet geen kwaad van ons kunnen spreken.
In de eerste eeuwen zijn de christenen van de meest afschuwelijke dingen beschuldigd. Dat ze vijanden waren van het volk, was meestal wel één van de beschuldigingen.
Voor dat soort beschuldigingen moet geen grond bestaan. Het is niet voor niets dat Petrus hen eerst gewaarschuwd heeft zich te onderwerpen aan alle menselijke instellingen om des Heren wil. Aan de keizer en de stadhouders. Aan de hoge heren. Omdat we een Almachtige Heer hebben. Zo wordt de christelijke apologie een bron van warmte in de wereld, die van God niet weet of niet meer weet.
Dan zijn we wat we wezen moeten: een stad op een berg en een licht op de kandelaar.