De normale mens
1977-01-28
Betaal uw belasting ... !- Jaargang 21
- nummer 4
We hebben nu al enkele malen nagedacht over het wetticisme en aanverwante afdwalingen. Ik zou er nog even op willen doorgaan.
omdat er nog een heel belangrijk ding te noemen is. We zagen dat het wetticisme de wet van God hanteert als een instrument om in vrede van Hem àf te komen!
Eén zestigste van de oogst. Betaal korrekt uw belasting. En u staat weer in de veilige zone. Als we nu eens even over dat belasting betalen nadenken, wat is dan onze bevinding? Ach, ik weet echt wel dat de belasting nodig en nuttig is en ik zal er niet over gaan razen. En zo zal het over het algemeen wel met ons allemaal zijn... bizonder moeilijke omstandigheden voorbehouden.
Maar ik moet toch wel zeggen, dat het belastingbiljet altijd weer heel erg van buiten af in mijn mensenbestaantje binnen komt.
Daar heb je die blauwe enveloppe weer! Drie maal rustig adem halen en dàn openen. Hij behoort beslist niet tot mijn gewone levensvoering.
Ik voor mij zou best zonder kunnen. Tussen de mens en de belastingbetaler zit toch echt wel een kloof. En ik denk dat geen enkele lezer zal willen beweren dat het betalen van de belasting tot het "wezenlijke" van zijn mens-zijn behoort. Vanuit deze "bevinding" nu zou ik nog iets aan de voorgaande gedachten over het wetticisme willen toevoegen.
Zonder God of mèt God?
Als je die vraag zomaar plompverloren stelt, dan zegt iedereen in Israël en onder ons natuurlijk: Mèt God! Maar het gaat niet om een plompverloren vraag. We willen nauwkeuriger te werk gaan!
De preciese vraag is: Wat is eigenlijk je normale leven? Staat de HERE daarbinnen of daarbuiten?
Nog anders gezegd: Als je de HERE gaat dienen moet je dan naar buiten komen of behoef je je niet te verplaatsen omdat je al bij Hem bènt? Dàn gaan de wegen uiteen: De wetticist zal moeten bekennen, dat hij buiten de kring van zijn gewone menszijn moet .komen ... net als de belastingbetaler en dat hij ná betaling weer in zijn gewone doen .terugkomt. Maar Boaz .- om hem maar weer eens in dat verband van akker-en-rand te noemen .- ... Boaz zou verbaasd opkijken en ons vertellen, dat hij helemaal niet op reis is gegaan, dat hij gewóón heeft gedaan. dat hij gehandeld heeft als een normale Israëliet. Hij hoefde niet naar buiten te gaan omdat de HERE al binnen was! Boaz' verbazing zou de spiegel zijn van Gods genadekracht in zijn leven.
En dáár hebben wij nu de ellende van iedere wetticist, van elke Farizeeër.
Zijn buitengewoon angstvallige wetsonderzoeken, zijn krampachtige vroomheidsuitingen, zijn telkens herhaald vragen: Hoe veel en hoe groot en hoe ver? ..
al die verschijnselen markeren tenslotte het feit, dat het normale leven voor hem een leven is zonder God en zijn dienst, een léven waar. hij dagelijks met alle geweld uit moet breken om zijn God en Heer tevreden te stellen. Hij blijft de nauwgezette belastingbetaler. Bij hem heeft de vraag naar het "Hoeveel en hoe groot?"
van de dienst van God dan ook telkens een verborgen keerzijde: Waar ben ik eindelijk vrij? Denkt u maar aan het gevecht tussen de scholen van Hillel en Sjammai over de vraag op welk punt van de moeitenweg je je vrouw mocht wegsturen (zie Matth. 19 : 3) .
En als de weduwe haar schuld niet kan betalen, dan mag en moet(!) het recht zijn loop hebben (Mark. 12: 40). Betaal je belasting ... maar geen cent méér!
Schepping en herschepping
Als je goed nadenkt, dan zie je achter dat wetticisme toch wel een heel vreemde kijk op de schepping opdoemen. Alsof God een "gewone" mens geschapen had die dan óók nog zich had te begeven in de "hogere" streken van de lof en de dienst van de HERE.
Een mens met een "naad" tussen hoger en lager, tussen buitengewoon en gewoon. Bij de zondeval is het buitengewone en het hogere er bij de naad afgebroken.
Wat overbleef is de "gewone" mens, de-mens-op-zichzelf. Die is een zondaar omdat hij aan het "hogere" niet meer toekomt. Gods verlossingswerk betekent dat Hij de bovenverdieping weer inricht.
Boven de naad wordt het hogere vertrek weer toegankelijk De gewone mens kan weer uitbreken in de dienst van God. Inderdaad, hij breekt er uit! Uit het gewone naar het bizondere en hogere.
Maar de náád blijf je altijd zien.
Het uitgangspunt blijft de "gewone" mens, de mens zonder God.
De Reformatoren hebben terecht deze gedachtengang doorbroken.
De zondeval betreft de gehéle mens, niet een denkbeeldige verdieping boven een denkbeeldige naad. Maar de verlossing betreft ook de gehele mens, naar zijn hele menselijke volheid. Hij is "in Christus", hij is "een nieuwe schepping". Hij is uit de abnormaliteit van het leven zonder God gered tot het normale mens-zijn van de mens-voor-Gods-aangezicht!
Gelukkig maar, dat Gods reddingswerk niet dat armelijke heeft dat iedere wetticist er aan toeschrijft. De zondaar wordt verlost - dat is radikaal. Het is niet zo dat de "gewone" mens er een "bovenverdieping" bij krijgt.
De toepassing
Dat weten we - denk ik - zo langzamerhand allemaal wel.
Maar we hebben het vaak maar slecht toegepast. We zijn in feite allemaal nog zo wetticistisch. We komen nog zo vaak vanuit het denkbeeldige "gewone" mensenbestaan naar God toe om er vervolgens weer in terug te duiken.
Jongelui kunnen het moeilijk hebben (en niet alleen zij) met het bidden in een openbare gelegenheid. De kollega's vinden het maar gek: Kijk, een aardige, leuke kerel! Helemaal normaal. Maar ineens heb je het: Hij bidt! Ineens komt hij uit de kring van het gewone mens-zijn, Dat is toch belachelijk! Jawel dat een nietgelovige zo praat. .. ! Maar in onze beschaamdheid nemen we het toch eigenlijk óverl We zijn dan toch maar gewone mensen die zich nergens voor behoeven te schamen, maar. . . we hebben ook die christelijke bovenbouw waardoor we opvallen. We zijn zo gevoelig voor de lach van anderen, omdat we zèlf eigenlijk die náád nog voelen. 'Het christen-zijn is niet helemaal gewoon.
Het is iets boven het gewone uit.
En voor een ander is dat natuurlijk niet bóven- maar àbnormaal.
Als we een flink bedrag schenken aan noodlijdende broeders en zusters of noodlijdende naasten in het algemeen, dan doen we daaraan wèl.
Maar waarom "voel" ik dat soms ook zo ? Waarom heb ik inderdaad soms dat vage gevoel van zelftevredenheid bij zo'n gift?
Van welk standpunt uit heb ik dat tevreden gevoel? Neen, ik ben dan niet meer de mens-in-Christus. Want die mens aaat niet meer "iets christelijks" doen.
Hij hoeft niet meer op reis. In mijn tevredenheid ben ik de wetticistische "gewone" mens. die God tegemoetgekomen is. die uit zijn gewoonheid uitgebroken is om (even) voor God te staan. Hij voelt zich voldaan over zijn reis.
Hij zou die voldaanheid meteen verliezen als hij weer wist. dat zijn reis en zijn reisgenot roemen tegen de verlossing die in Jezus Christus is.
Waarom nog goede werken?
U herkent meteen die eerste vraag van zondag 32: "Waarom moeten we dan nog goede werken doen?". Vindt u dat een fraaie vraag? Ik niet. De katechismus is een echt goed leerboek. omdat hij af en toe verkeerde vragen stelt ...
onze vragen (zie vooral vraag 8 en vraag 11). Ook in zondag 32 hebben we een vraag "op het randje" (Vergeeft u me... ook déze uitdrukking is typisch wetticistisch!) . Wie stelt die vraag eigenlijk? En waarom heeft die vraag de eeuwen door zoveel tobberij opgeleverd ? Waarom heeft men in gereformeerde kringen nog altijd zoveel moeite om de goede werken te "plaatsen"?
Ik geloof dat de moeite in de vraag zèlf zit. Het is telkens weer de vraag van iemand die de genadeprediking van de reformatie heeft gehoord en die tegelijk...
wetticist gebleven is! Het is de vraag van een mens die roemt in de verlossing door Christus ... en die dan ineens weer de wetticistische "gewone mens is die er moet "uitbreken" naar God toe en die dan vraagt waarom dat eigenlijk nog moet. Een onontwarbare knoop. Het uitgangspunt is in de eerste helft van de vraagzin goede- mens-in-Christus.
Maar het is in de vraag zèlf verkeerd geworden - de mens ónder de denkbeeldige náád, de "gewone" mens van het wetticisme de mens zonder God.
Een wetticist die zich bekeerd wordt christen!
Een wetticist die zich schijnbaar bekeert wordt wetteloos!
De katechismus antwoordt op een buitengewoon mooie wijze. Een antwoord dat de vraag doorbreekt.
Een antwoord vanuit Christus' herscheppende werk in de Geest. Dit antwoord maakt het zieke uitgangspunt van de vraagsteller gezond.
We zijn niet zo gemakkelijk van het wetticisme af als we aan de hand van het farizese schoolvoorbeeld misschien gedacht hadden.
Als we niet werkelijk ons die bekende Schriftgegevens .over schepping en herschepping eigen maken (dat is méér dan alleen maar verstandswerk! ) dan kómen we er niet van af. De mens in Christus. de nieuwe schepping.
Daar kun je niet héénreizen, Daar mogen we vanuit gaan . . . in het geloof ... omdat Goede Vrijdag.
Pasen en Pinksteren onze uitgangspunten geworden zijn.
Door Hem die in waarheid onze Immanuël is (art. 18 NGB).