Geloof en Prediking

1977-02-04
  • Jaargang 21
  • nummer 5
Verleden week citeerde ik een fragment uit een artikel van prof. Oosterhoff dat hij in De Wekker publiceerde onder de titel Prediking en geloof.
Ik nam toen over wat hij over de prediking zei. Nu wil ik laten afdrukken wat hij over het geloof opmerkte en daar nog wat nader op ingaan.
Prof. O. schreef over geloof het volgende: Het geloof is dus niet de grond voor de zaligheid, maar het middel waardoor wij er deel aan ontvangen. En het geloof put zijn vrijmoedigheid en grond uit de beloften van het evangelie, die waarachtig en welgemeend zijn.
Waar niet de rijke beloften van het evangelie gepredikt worden, wordt de vrijmoedigheid tot het geloof niet gewekt.

Geloven is zo overweldigd worden door de beloften van het evangelie, dat het - zoals iemand het mij eens zei - gewoon niet meer mogelijk is niet te geloven.
Dan is het geloof een heerlijke vanzelfsheid. En dat geloof werkt de Heilige Geest door de prediking van het evangelie.
Zeker, het geloof is het werk van de Geest. Maar de Geest werkt door de prediking van het evangelie.
Zo is het geloof geen wettische eis. Soms wordt het geloof als een nieuwe wet gepreekt. Dat is onjuist. Het geloof is de heerlijke door Gods evangelie gewerkte mogelijkheid, die van ons uit onmogelijk is. Terecht zegt Wisse dat het geloof een eis is "die tevens klinkt als een permissie."
Paulus zegt: wij bewegen de mensen tot het geloof.
En dat is niet wettisch.
Geloven is iets waartoe wij door het evangelie worden ingewonnen. Tot het geloof worden we niet gedreven.
We worden er toe getrokken. En nu laat ik Wisse nog weer even aan het woord. Hij zegt: "Zulk geloof verlaat zich geheel en al op het werk van een "Ander". Wij worden zalig door "de gehoorzaamheid van een Ander, van onze Heere Jezus Christus; die deze gehoorzaamheid volkomen heeft volbracht". “Als nu in de prediking met het oog dááróp wordt aangedrongen tot geloof, is dit een heerlijke lokking tevens. Het is een eisch, maar ook een permissie, een lokstem tevens. Het is de boodschap: gij hebt niets, maar ge behoeft ook niets te hebben; alles is reeds in orde gebracht; gij hebt u op dat werk van dien Ander slechts te verlaten met uw gansche hart. Het is geloof in een volbracht werk, en staat tegenover alle zelfdoen".

Heel mooi zegt Wisse hier dat de eis lokking tegelijk is. En de lokking eist aanvaarding, toestemming, inwilliging, overgave en dat is geloof. Ongeloof slaat de liefderijke belofte weg, gaat er in eigenwilligheid, vaak eigengemaakte vroomheid aan voorbij. Maar die eigengemaakte vroomheid is tenslotte ook verhulde vijandschap, vergulde zelfhandhaving.
Het geloof rust op Gods beloften. Denk aan zondag 7 van de Katechismus. Door het geloof leer ik de beloften Gods aanvaarden, daaruit leven. Door het geloof in de belofte zde ik dat ik met al mijn zonden en ellenden een kind van God mag zijn. .
Dat gaat natuurlijk niet buiten bevinding om. Maar die bevinding is vrucht van het geloof, geen grond.
Hoe zou iemand kunnen geloven zonder een wondere, dankbare ervaring van Gods heil en ondoorgrondelijke zondagsliefde?

Met dat geloof verwacht een mens niets van zichzelf.
Hij weet zich in zichzelf zondaar voor God. Maar met Luther mag hij weten: zondaar en verlost tegelijk.
Zo is het geloof als een alles verbeurd hebbend zondaar steunend op Gods beloften en daarom met een vaste zekerheid, zich overgevend aan Gods onwrikbare liefde, in zijn evangelie ons beloofd. Maar dat is dan ook het evangelie, dat in al zijn volheid moet verkondigd worden. Niets mag de gemeente worden achtergehouden en vanuit dat geloof worden we geroepen tot nieuw leven, gaande in Gods wegen.

Wat Oosterhoff hier in navolging van Wisse over het geloof zegt is prachtig. Laat ik het maar eens mogen zeggen: zó heb ik het al meer dan veertig jaar in mijn prediking en onderwijs de mensen trachten voor te houden en op de ziel te binden.
Daarbij stonden mij altijd vooral twee Schriftplaatsen voor de geest.
De eerste is uit Gen. 15. We lezen daar het verhaal dat de HEERE naar Abram toekomt. Abram is moedeloos.
Tien jaar geleden had de HEERE hem gezegd dat hij tot een groot volk zou worden. Maar er was daarvan nog niets gekomen. Hij en Sara waren al weer ouder geworden. En daarom was de geboorte van een kind zo mogelijk nog onmogelijker geworden!
En als de HEERE na tien jaar tot Abram zegt: ..Ik ben uw schild, uw loon zeer groot", dan reageert Abram daar gelaten en moedeloos op met de woorden: "Och HEERE wat zult U me geven? Kinderloos ga ik straks dood en alles wat ik heb komt dan in bezit van mijn meesterknecht Ellëzer. Die heb ik tot mijn erfgenaam benoemd."

Maar dan zegt de HEERE: ..Nee Abraham die Eliëzer zal je erfgenaam niet zijn. Dat wordt je lijfelijke zoon."
En dan leidt God Abraham uit zijn tent naar buiten - het is blijkbaar nacht - en zegt tot Abram: "Kijk nu eens naar de hemel. Zie je al die sterren, tel ze eens als je kunt! Zo talrijk zal je nageslacht zijn."
Ik denk dat het toén wel een poosje stil zal zijn geweest.
Abram zal wel zwijgend naar de sterren hebben gekeken. En misschien zal het wel gestormd hebben in zijn binnenste. God zegt zonder bewijs, zo maar, dat geweldige woord: je krijgt een lijfelijke zoon. Alle dokters zouden gezegd hebben dat dat onzin is. Abram heeft niets dan dit, om het zo te zeggen, naakte, kale woord van God, dat dwars ingaat tegen alle menselijke wijsheid, tegen de normale gang van de natuur, tegen Abrams eigen overtuiging!"
En dan gebeurt het wonderlijke. Nee, Abram zegt niets. Hij doet wat. Er staat letterlijk: Abram hield God voor de betrouwbare.
En dát is nu geloven! En dat blijft het door alle eeuwen: God voor betrouwbaar houden in zijn spreken tot ons in zijn Woord, in het Evangelie dat Hij zonder bewijs, zonder aanhaling, menens tot ons spreekt.
Dat is het eerste woord dat mij bij het nadenken over het geloof altijd in gedachten komt. Het tweede is Jer. 20: 7. Dit woord werd gesproken in een onbeschrijflijk moeilijke tijd in Jeremia's leven. Jeremia is "aan het eind", hij “ziet het niet meer zitten". De mensen bespotten en honen hem. HIJ moet als hij spreekt het uitschreeuwen, de mensen willen niet naar hem luisteren... En altijd moet hij spreken van geweld en onderdrukking. Het woord van God is voor hem dag en nacht tot een smaad geworden.
Maar dan opeens zegt hij het: "Gij hebt mij overreed HEERE, en ik heb mij laten overreden, Gij zijt mij te sterk geweest en hebt mij overmocht." In een nieuwe vertaling staat het zo: "HEERE, gij hebt mij overgehaald - ik ben bezweken, Gij waart mij te sterk.
Ik kan er niet tegen op?"

Dat is inderdaad een prachtige omschrijving van het geloof: het is overwonnen worden door Gods ondoorgrondelijke genade. Het is overwonnen door Jezus Christus die voor ons aan het kruis ging. Ons zondig leven werd zijn dood, zijn verschrikkelijke dood werd ons leven! En HIJ vraagt nu niets anders dan dat wij geloven dat Hij dat ook voor ons heeft gedaan! En dát geloven dat is het wezenlijke van het geloof.
Je kunt dat zo verrukkelijk zien in het verhaal van de genezing van de verlamde die door zijn vrienden door het door hen opengebroken dak vlak voor Jezus werd neergelaten. Er staat dan dat zo merkwaardige woord dat Jezus hun geloof zag! Dat geloof zag Jezus in de verlamde en in heel het doen van de mannen die de verlamde het dak hadden opgesjouwd en dat hadden kapot gemaakt om die stakker maar bij Jezus te krijgen. En als je vraagt wat het geloof van deze mannen was, waarin het bestond dan kun je dat in drie korte zinnetjes zó zeggen: Ze waren er rotsvast van overtuigd: Jezus kan helpen. Jezus wil helpen.
En als je het Hem er om vraagt zal Hij ook helpen.
Die drie zinnetjes zijn de kern van het geloof.

In de gereformeerde confessies staan prachtige dingen over het geloof. Een ding wil ik noemen. En wel wat er in de catechismus staat in de verklaring van het eerste gebod. Daarin wordt iets gezegd dat in dit verband onze volle aandacht verdient. Er wordt namelijk in gezegd dat de centrale inhoud van dit gebod bestaat in het recht leren kennen van de enige ware God en het Hem alleen vertrouwen. Ieder die de catechismus kent hoort onmiddellijk dat hierin teruggegrepen wordt naar wat in Zondag 7 over het geloof wordt gezegd! Dat wordt daarin immers omschreven als een zeker weten en een vast vertrouwen. Calvijn noemt het eerste gebod daarom ook het gebod des geloofs, het gebod om te geloven. Er wordt in de Catechismus precies hetzelfde gezegd als wat we in I Joh. 3 : 23 lezen: ..En dat is zijn gebod: dat wij geloven in de naam van Gods Zoon Jezus Christus."
Er is eigenlijk geen rijker woord over het geloof dan dit! Die God die éérst zegt: "Ik BEN de HEERE uw God die u uit het diensthuis der zonde en der slavernij heb uitgeleid", diè gebiedt mij onmiddellijk daarna in Hem te geloven! En dat zegt Hij die alléén het geloof geven kan!
Zou Hij ons dit gebiedend ons voor de gek houden en ons het geloof niet willen geven?

Is er iets groters denkbaar dan dat die God die eerst verzekert dat Hij ons lief heeft en die de Enige is die de ware liefde in ons hart kan werken nu ook van ons vraagt dat we Hèm zullen liefhebben?
Volkomen terecht zegt Oosterhoff dat dit geloven niet buiten de bevinding om gaat. Maar het is ook volkomen juist dat hij er bij voegt dat die bevinding vrucht is van het geloof. Ik las dezer dagen weer eens een van mijn meest geliefde boeken van Bavinck door namelijk "De zekerheid des geloofs". Hij schrijft daarin van de velerlei bevinding: "Zij zijn geen grond van het geloof en gaan er niet aan vooraf. Wie de leer der Schrift over de zonde niet gelooft en daarin geen openbaring Gods erkent. zal ook niet door schuldbesef getroffen en verslagen worden. Wie in Christus geen zaligmaker der wereld belijdt. zal in Hem geen verzoening voor zijn zonden zoeken. Wie aan de Heilige Geest niet gelooft, komt niet tot het smaken zijner gemeenschap. Wie het bestaan van God in twijfel trekt kan niet roemen in de vreugde. zijn kind en erfgenaam te zijn. In één woord, die tot God komt, moet geloven dat Hij is en een beloner dergenen die Hen zoeken."
Dit kwam als van zelf in mij op toen ik het stuk van Oosterhoff las.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief