Geloofszekerheid of zelfverzekerdheid?

1977-02-04
  • Jaargang 21
  • nummer 5
Gereformeerde mensen hebben zich vaak heel erg druk gemaakt over de léér. Dat hoeft op zich zelf niet verkeerd te zijn, kán zelfs goed zijn. Zolang het inderdaad gaat over de vraag, hoe de lévende God wil dat wij écht léven zullen. De léér is dan direkt verbonden met ons léven! De Here Jezus heeft er terecht op gewezen, dat Zijn Vader geen behagen heeft in mensen, die niet verder komen dan het róepen van “Vader, Vader ... ".
God wil mensen die Zijn wil doen, Als we zó over de leer, de wil van God spreken met elkaar, hebben we het niet over een stuk dogma, dat zweeft boven de werkelijkheid van ons dagelijks bestaan.
Neen, dan wordt de leer een stuk van ons léven.
We zien het echter vaak anders.
Op verschillende manieren.
Veel christenen weten precies wat wel en wat niet goed is, wat wel mag en wat niet mag. Zij hebben het christelijke leven gebonden aan allerlei regels, maar ondertussen is het léven uit hun denken verdwenen. Ds Smit heeft hier pas in Opbouw ook nog op gewezen.
Zo ontstaat er een brok wetticisme.
waarbij het geloof wordt tot een soort optelsom van wel of niet uigevoerde geboden of verboden. En dát is dan voor velen "geloofszekerheid" .
Zulke mensen gaan zich verschrikkelijk onzeker voelen, zodra er aan hun wetticistische ‘telraam' gerammeld wordt.
Uit angst voor onzekerheid verschansen velen zich in hun heilige huisjes. Ze willen vasthouden aan het oude omdat het nieuwe hen onbekend is, zonder zich daarbij af te vragen of het oude wel goed en het nieuwe wel echt verkeerd is.
Geloofszekerheid heeft zo weinig of niets meer te maken met de vruchten van de Geest zoals de bijbel daarover spreekt.
Dit soort zekerheid is eigenlijk een stuk zelfverzekerdheid. Belangrijk daarbij worden: onze trouwe kerkgang, onze christelijke opvoeding, ons artikelenschrijven, ons preken-maken enz.
Intussen wordt ons geloven tot een soort binnenvetterij, waarbij het praktisch handelen van minder of geen belang wordt geacht. We kunnen stoer gereformeerd doen en intussen onze broeder of niet-broeder negeren, maar de bijbel spreekt over goed doen aan alle mensen, in het bijzonder aan geloofsgenoten.
Een zuster, die trouw een eenzame zuster in de gemeente bezoekt is even belangrijk óf belangrijker (I) dan de ouderling of dominé die het vaak zo mooi weet te zeggen. De liefdevolle omgang met de naaste is voor God zeker zo belangrijk of belangrijker (!) dan het uit-het-hoofd-kennen van de halve Heidelbergse Catechismus.

Auke Jelsma, uit wiens boek Ommegang ik reeds iets aanhaalde, wijst in- hetzelfde boek ook op deze dingen. De kerk "graaft zich soms te diep in uit angst voor de gevaren die haar van buitenaf bedreigen, zo diep zelfs dat zij tot haar taak op aarde niet langer in staat is maar enkel nog een lichtschuw bestaan leidt". De predikant moet het aandurven zijn hoorders deze schijn-veiligheid te ontnemen, "hij moet hun zekerheden ondermijnen".
"Nu kan er een situatie ontstaan dat een predikant zich genoodzaakt voelt bepaalde vermeende zekerheden van de gemeente te ondermijnen, om zo de weg tot een werkelijk leven met Christus vrij te maken. Hij weet dat hij dan ergernis opwekt. Je maakt je niet populair door het introduceren van een nieuwe omgang met Gods woord.
Een predikant mag wel vermanende woorden spreken. Dat wordt zelfs op prijs gesteld. Hij mag de mensen zelfs wel met zijn woorden striemen, als hij meent dat zij nog niet genoeg gedaan hebben voor de Heer. Dankbaar zullen zij zijn vermaningen in ontvangst nemen. Maar hij mag hen niet zeggen dat zij een last met zich hebben meegezeuld die God hen nooit had opgelegd.
Hij mag niet zeggen dat hun inspanning verkeerd gericht is geweest.
Het kost de meeste kerkmensen moeite genoeg aan hun verplichtingen te voldoen. Ze moeten veel missen van wat anderen wel hebben. Dat vinden zij niet erg. Ze hebben het met Iiefde gedaan. Maar zeg hen niet dat zij met hun leven op een verkeerd spoor zitten:' De bedoeling van [elsma is m.i. wel duidelijk.
Het is de moeite waard nog even verder te lezen: "Op een enigszins amusante wijze kwam ik in mijn eerste gemeente (Jelsma was toen predikant van de synodaal-gereformeerde kerk van Zaltbommel - v.W.) met deze achtergronden in aanraking. Toen ik hier enkele maanden was, ontstond er op de kerke raad een gesprek over mijn prediking. De broeders waren niet geheel ontevreden. Ze begrepen dat zij van een drieëntwintigjarige niet veel meer konden verlangen. Wel preekte ik erg veel over de genade van God.
De ouderlingen hadden meermalen de klacht gekregen dat er zo weinig over de zonde gepreekt werd. Missooien was het goed dat ik daar eens aandacht aan schonk. De mensen hadden er behoefte aan op hun zonden gewezen te worden.
In mijn onschuld nam ik dit letterlijk op. De gemeenschap leed inderdaad aan bepaalde zonden, dat had ik inmiddels wel gemerkt. Dus de eerstvolgende zondag heb ik het één en ander genoemd wat nog ontbrak aan een werkelijke gemeenschap der heiligen.
Het regende klachten bij de kerkeraad. Dezelfde avond nog stond er iemand bij mij op de stoep die geen voet meer bij me in huis wilde zetten.
Hij nam het niet dat in het openbaar gewezen was op iets waaraan hij zich schuldig had gemaakt. Toen een vreemdeling in alle onschuld op zijn plaats was gaan zitten, was hij namelijk woedend de kerk uitgelopen nadat hij eerst nog een tirade tegen de arme man afgestoken had. En inderdaad had ik ook iets gezegd over de wijze waarop de gemeenschap open stond voor buitenstaanders.
Toen begreep ik eigenlijk voor het eerst dat de trouwe kerkgangers wel aangespoord willen worden maar beslist niet willen horen dat zij op een verkeerde wijze kerk zijn."
De volgende keer nog even verder.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief