Genesis en de wetenschap

1977-02-11
  • Jaargang 21
  • nummer 6
De aanduiding 'zintuigelijk waarneembaar' voor de bijbelse voorstelling van de werkelijkheid der eerste hoofdstukken van het boek Genesis is op z'n minst ontoereikend, zo eindigde ik vorige maal te zeggen. Ik drukte mij zo uit, omdat ik de gedachte van deze zintuigelijke waarneembaarheid ook weer niet helemaal wil loslaten.
Die blijft voorzover ik zie een rol spelen en dat geeft aan de werkelijkheidsbeschrijving een gemengd karakter. Wat we in Gen. 1 - 11 lezen zie ik als een profetisch commentaar op feitelijke gegevens die door de traditie zijn aangereikt geworden. Eigenlijk heb ik daar de vorige maal al een aardig voorbeeld van gegeven, toen ik het had over Adam, de eerste mens. Wanneer wij uitgaan van schepping en niet van evolutie, moeten wij het niet vreemd vinden dat de mensheid de naam van de eerste mens onthouden heeft. Het zou integendeel zeer vreemd zijn, als die in de vergetelheid was weggezakt.
Zo pleit er dus veel voor - nu even objektief en met een schijn van eigenwijsheid gesproken dat wij Adam als historische persoon en naam serieus moeten nemen. Misschien mogen wij hem in verband brengen met een figuur, die wij in een van de mythen (?) van het oude Babel tegenkomen, te weten Adapa, priester-koning in de oeroude stad Eridu voor de god Ea. Van hem wordt gezegd, dat hij als een model der mensen geschapen was.
Deze Adapa begaat een zonde, die er langs allerlei vreemde wegen de oorzaak van wordt, dat hij het eeuwige leven verspeelt.
Er wordt dan op het eind van het verhaal over geklaagd, wat voor een rampspoed Adapa over de mensheid gebracht heeft. Vloekwensen over hem zijn het laatste dat op de geschonden tabletten gelezen kan worden. Er zijn er die beweren dat Adapa, in wat voor taal dan ook, 'mens' betekent.
Het zou kunnen zijn dat in de Bijbel deze naam uit de tradltie is opgenomen, gehebraïseerd tot 'Adam', d.w.z. 'mens'. Daarmee was dan tevens de weg geëffend voor de profetische commentator om in een sterk beeldende gelijkenis-geschiedenis te vertellen over há-adam, 'dé mens'.
In Genesis 2 en 3 komt zo een beschrijving van de val in zonde voor ons te staan, waar iedere mens zich bij betrokken moet weten.
Het is algemeen-menselijk gemaakt, zonder dat het concreet historische uit het oog verloren is.

Wil ik hiermee nu zeggen, dat heel het paradijsverhaal als gelijkenisachtige inkleding gezien moet worden? Dat gaat, opnieuw, te ver. Daar is bijvoorbeeld het gegeven van de paradijsrivieren, waarover ik het een vorige keer ook reeds had. Ook dit gegeven kan ik gebruiken om het eigenaardige karakter van de bijbelse werkelijkheidsvoorstelling, die we vooral aan het begin van de Bijbel (maar daar toch niet alleen) tegenkomen, in het licht te stellen: handtastelijke gegevens, maar dan opgenomen in een profetische werkelijkheidsbelichting , die niet meer aspectmatig, maar totaal is. Wij krijgen namelijk met de zintuigelijk waarneembare werkelijkheid niet de volle werkelijkheid voor ons, maar een versmalde - schijnt de Bijlbel te zeggen. Zo lijkt het alsof wij aan de paradijs-rivieren houvast krijgen, als we lezen van de Eufraat en Tigris. Het land daartussen zal in de schatting der mensen van toen ook echt voor paradijs in aanmerking gekomen zijn. Het heeft zelfs iets waarschijnlijks dat het paradijs daar ergens gelegen moet hebben. Maar dan zijn daar nog die twee andere rivieren, de eerstgenoemde nog wel in Gen. 2, de Pison en de Gihon, die onze localiseringsdrang verstoren.
Want we kunnen ze niet thuisbrengen.
Weliswaar wordt bij de Pison een historisch bekende landstreek genoemd: "deze stroomt om het gehele land Havila, waar het goud is" en dat is bij de Gihon ook het geval: "deze stroomt om het gehele land Ethiopië."
Maar dat maakt juist de plaatsing nog moeilijker, want wij kennen nu juist geen rivieren die deze landen omstromen. Men moet 90k niet zeggen, dat juist deze twee rivieren door de zondvloed van de aarde zijn weggespoeld, want dat is, in vergelijking met de Eufraat en de Tigris die dan wel zijn blijven bestaan, nogal willekeurig. Wat dan? Wel, de namen van de twee eerstgenoemde rivieren, Pison en Gihon, lijken symbolisch, omdat ze vertaalbaar zijn, wat bij aardrijkskundige namen opvallend is: Pison betekent 'springer' en Gihon 'sproeier.
Deze rivieren lijken dus denkbeeldig en de heilige verteller schijnt ermee te bedoelen twee ver verwijderde, maar toch zeer idyllische oorden in zijn paradijs-voorstelling te betrekken. Dat geldt zeker van Havila, waarvan gezegd wordt dat het goud van dat land goed is, geschenk als het is van een paradijs-rivier. Zodoende krijgt de voorstelling een visionaire meerwaarde boven het zintuigelijk waarneembare uit. Je krijgt er wetenschappelijk geen vat op en toch zweeft het verhaal niet bloed loos boven onze werkelijkheid. Als bij een vlieger in de lucht staat de haspel met het touw eraan in de grond gestoken. De profetische werkelijkheidsbeschrijving krijgt altijd een 'last aarde' mee, zoals Naäman die bij Elisa vandaan komt.

Gegevens uit de traditie, en die profetisch bekommentarieerd.
Laat ik er nog eens een voorbeeld van geven. Laten wij ons eens voorstellen, dat er in het oude overgeleverde traditie-goed een naam voorkwam, die in klank een gelijkenis vertoonde met die van Kaïn, die wij verderop in de Schrift, in een meer herkenbaar historisch verband, tegenkomen als de voorvader van de Kenieten (Num. 24: 21 v.). Misschien heeft de lezer zich er ook wel eens over verbaasd, dat Kaïn, over de zondvloed heen, voorvader van de Kenieten zou zijn. Dat zal ook wel niet zo wezen daar is de tijdsafstand veel te groot voor. Of zou het in beide gevallen over een heel
andere Kaïn gaan? Dat is mogelijk.
Maar ik wil nu een andere mogelijkheid overwegen. Als nu eens de profetische verhaler, na over 'de mens en zijn vrouw' verteld te hebben, vervolgens een boekje open heeft willen doen over 'de mens en zijn broeder?
En als hij nu daarvoor eens in de traditie een naam aangetroffen heeft, die hem in klank aan de naam Kaïn deed denken? En als hij nu eens zijn schimmige, vóórhistorische figuur heeft 'aanqekleed' met de trekken van de wat meer bekende Kaïn, voorvader van de roof- en moordzuchtige woestijn-stam der Kenieten? En als hij nu eens met het ruwe woestijn-gedrag van deze Kenreten voor ogen, met hun voorvader Kaïn als model, heeft willen uitbeelden wat de mens met zijn broeder uitgehaald heeft èn nog uithaalt? Dat hij hem namelijk zonder oorzaak vermoordt? Deze vermoorde broeder heet in het verhaal Abel. Deze naam is opnieuw, net als die van de rivieren Pison en Gihon, vertaalbaar: Abel betekent 'ijdelheid', 'ademtocht' en als persoonsnaam dus zoiets als 'Miezer of 'Kortlever' en dat is een betekenis die precies in het verhaal klopt, zodat het de schijn heeft dat deze naam Abel denkbeeldig is. We krijgen dan dit, dat het profetische verhaal van de broedermoord - rechtstreeks uitvloeisel van het feit dat de mens en zijn vrouw de band met de Here God verstoord hebben - verteld wordt met gebruikmaking van zeer oud materiaal: het gegeven zelf en de naam die achter de naam Kaïn schuil gaat; met gebruiking verder van een meer bekend historisch gegeven: de Kenteten met hun voorvader Kaïn; met gebruikmaking tenslotte van de profetische verbeelding: de naam Abel, die een nietigheid suggereert, waar wel de mens maar niet de Here God achteloos aan voorbijgaat.
Dit alles is veronderstellenderwijs opgeworpen; niemand kan zeggen, dat 't verhaal zo in elkaar zit. Ik zeg alleen: het zou kunnen.
De aanwijzingen ontbreken niet, in het verhaal zelf niet, noch daarom heen, bij meer van zodanige geschiedenissen. En wanneer nu Genesis 4 zo, of ten naaste bij zo, tot stand gekomen is, laten we dan de historische betrouwbaarheid van deze geschiedenis los? Nee, mijns inziens niet.
Ik geloof (en dit woord geloven ernstig te nemen!) dat op de wijze waarop de Bijbel vertelt, aan de werkelijkheid ten volle recht wordt gedaan, nog meer dan wanneer we een precies verslag zouden bezitten van wat er zich in die oertijd zintuigelijk waarneembaar toegedragen heeft. We hebben nu het gebeuren in een profetische doorlichting, in een bijbels-boodschappende vorm.

Maar wat is er eigenlijk mee gewonnen, wanneer we dergelijke veronderstellingen opperen? Deze vraag voel ik met enige geïrriteerdheid aan mij gesteld en ik kan daar goed inkomen, want deze irritatie leeft eigenlijk ook bij mijzelf. Ik weet, dat ik mij met zulke uiteenzettingen verwijderen kan van de echt eenvoudige gelovigen, die alles precies nemen zoals 't er staat. Daar voel ik mijzelf eigenlijk ook het best bij thuis. En als later op de nieuwe aarde iemand zich aan mij voorstelt en zegt: ik ben Abel, dan zal ik echt niet terug zeggen: eigenlijk kunt u hier niet eens zijn, want uw naam, profetisch-symbolisch als hij is, vertegenwoordigt meer een type dan een persoon.
Nee, ik zal hem dan blij begroeten en openlijk erkennen, dat ik er naast zat.
Wat mij betreft zou al het voorgaande inderdaad ongezegd kunnen blijven. Er is alleen één excuus waarom ik spreek. Er bestaat vandaag een schriftgeleerdheid (ik bedoel het woord niet ongunstig, maar eigenlijk als een ander woord voor theologie) die meent dat men aan de aanvangsgeschiedenissen uit het boek Genesis rechtstreeks bruikbare wetenschappelijke gegevens kan ontlenen, die samen met andere, natuurwetenschappelijke gegevens het materiaal vormen voor een reconstructie van de oudste geschiedenis van wereld en mensheid.
Aan deze stroming stel ik de vraag: weet u al precies welke soort van werkelijkheidsbeschrijving u in de eerste hoofdstukken van Genesis vóór u hebt? Zou die soort niet van een zodanig profetisch-samengesteld karakter kunnen zijn, dat u er geen gegevens aan kunt ontlenen voor een wetenschappelijk doel, tenzij dan in een zeer algemene en tamelijk vage zin? En gaat het daarom wel aan, de resultaten van deze werkwijze (ineenschuiving van andersoortige gegevens) voor de stellen als bijbelgetrouwe wetenschap?
Mij schijnt het toe, dat de Bijbel in haar werkelijkheidsvoorstelling, in vergelijking met die van de wetenschap, met een dimensie meer, met een soort vierde dimensie dus, werkt. Ze beschrijft de werkelijkheid als werkelijkheid-voor-God. Daardoor is er wel telkens de herkenning voor de wetenschap, maar ook tegelijk de ontsnapping aan haar greep.
Maar ik zie, dat mijn ruimte voor deze week op is.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief