JEREMIA
1977-02-11
Spreekbuis van God- Jaargang 21
- nummer 6
Om een confrontatie te vermijden stuurt Necho de volgende boodschap aan Josia: Het is me niet om u te doen. Ik ben in oorlog met Babel. En God heeft me gezegd, dat ik er haast achter moet zetten. Probeer me dus niet tegen te houden, want dan loop je God voor de voeren. Tegen Hem kunt ge toch niet op. Dat wordt uw ondergang. Maar Josia trekt zich van deze boodschap niets aan.
Zijn overwegingen daarbij worden niet vermeld. Maar we kunnen ons voorstellen dat hij gedacht heeft: Wat weet een heidense, egyptische koning nu van God en diens plannen? Wat verbeeld hij zich wel, dat God aan zijn kant staat! In de dagen van Hizkia pretendeerden Sanherib ook, dat God hem gestuurd had. Maar het was niet zo. Ook nu is het niet waar. God staat aan mijn kant.
Want het gaat mij immers om het koninkrijk van Gods belofte.
Daar vecht ik voor. Daarvoor sta ik op de bres. Hoe kan Necho dan zeggen dat ik God voor de voeten loop? Wanneer je je op Gods beloften oriënteert, kun je God toch niet voor de voeten lopen!
Zo zouden wij in een dergelijke situatie ongetwijfeld reageren. Wij zouden het nooit voor mogelijk houden, dat een heiden beter zou weten wat God van plan was, dan wij. Maar toch staat het hier uitdrukkelijk: God had Necho deze woorden in de mond gelegd.
God zelf waarschuwt josia bij monde van Necho.
Dat komt vaker voor in de bijbel.
God kan soms zo maar iemand die Hem helemaal niet kent, een wildvreemde heiden, gebruiken om zijn Woord door te geven aan zijn volk. Denkt u maar eens aan Bileam b.v. En ook een man als Kajafas die zich vierkant tegen God opstelde, profeteert op een gegeven moment plotseling door de Geest (Joh. 11: 49-51).
Zo gebruikt God hier Necho om Josia te laten weten: Je loopt Mij voor de voeten. Je bent op de verkeerde weg. Je begrijpt niet waar Ik heen wil. Het is nog niet de tijd voor de vervuiling van de belofte aangaande het éne koninkrijk onder één herder. Je verstaat de tijd niet waarin je leeft. Zo kan God ook vandaag nog wel eens ongelovigen gebruiken om ons te helpen onze tijd te verstaan.
Wij zijn bij voorbaat geneigd die mogelijkheid uit te sluiten. God spreekt door zijn profeten in het Oude Testament en door zijn Woord, zeggen we. Buiten die proferen en buiten de bijbel om spreek God niet. Maar dat is toch niet helemaal waar. Necho was beslist geen profeet. Hij was iemand die helemaal vreemd stond tegenover de God van Israël. Toch legt God zijn woorden in de mond van Necho.
Hij spreekt hier door middel van een heidense koning, Of dat nu met onze theorieën klopt of niet, het staat er.
Wel is het zo, dat Josia al had kunnen weten wat God hem door middel van Necho laat horen. Josia beschikte over voldoende gegevens om zijn tijd te kunnen verstaan en om te kunnen weten dat hij bezig was de HERE voor de voeten te lopen. Ook wij beschikken over voldoende gegevens om onze tijd te kunnen verstaan. Wij hebben niet alleen een veel uitvoeriger bijbel dan Josia, maar bovendien heeft Christus ons zijn Geest gegeven, die ons wil helpen al die gegevens in het juiste licht en perspectief te plaatsen. Maar ook nu nog kan God ons soms ineens tot de orde roepen door een ongelovige. Hij kan zo iemand gebruiken om ons met onze neus te drukken op iets dat we best konden weten, maar dar we niet in rekening brachten.
Aanrukkend oordeel
Josia trekt zich niets van de waarschuwing aan. Hij had zich te zeer vastgeklampt aan zijn droom. Hij ging het gevecht met Necho aan.
En terwijl de pijlen van de egyptische boogschutters hem dodelijk verwondden, spatte zijn droom als een zeepbel uit elkaar. Zo kun je jezelf schaden, als je de tekenen der tijden niet verstaat. Dan overvalt de dag van Christus je als een dief. Terwijl je denkt: Niets aan de hand!, overvalt je, als weeën van een zwangere vrouw, een plotseling verderf.
Zo verging het Josia. En hij sleepte zijn volk mee in zijn val. Het oordeel van God, dat in Josia's dagen nog niet zou komen, krijgt nu vrij baan en begint in werking te treden. Juda verliest zijn zelfstandigheid.
Joahaz die zijn vader opvolgde, wordt na 3 maanden al door Necho afgezet en in gevangenschap naar Egypte gevoerd.
(Zie Jer. 22: 10-12; Sallurn-Joahaz). Het volk moet een zware boete betalen. En Jojakim wordt als een vazal van Egypte op de troon gezet. Er is een periode afgesloten. Een periode waarin er nog rust was en ruimte om te ademen. Van nu af zal die ruimte steeds minder worden. Er breekt een nieuwe periode aan, waarin het oordeel van Jahweh steeds dichterbij komt en zich tenslotte ontlaadt.
JEREMIA 21 : 11-22: 19
Profiel van een koningshuis
Het is niet precies uit te maken uit welke tijd de profetie over het koningshuis van Juda in Jer. 21 : 11-22 : 9 stamt. Het is niet onmogelijk dat dit gedeelte uit de tijd van Zedekia komt. Maar omdat het typerend is voor de koningen na Josia, is het goed er nu even aandacht aan te geven om te proeven welke periode er na de dood van Josia aanbreekt. Het grote verwijt dat doorklinkt (vs.
12) is, dat het koningshuis van Juda geen recht doet en de verdrukkers in Juda vrij spel laat.
Eigenlijk is dat een verschrikkelijke beschuldiging. Want de davidische koningen moesten nu juist volgens Psalm 72 koningen zijn, wier regering gekenmerkt en getypeerd werd door vrede en recht en ruimte voor iedereen die de HERE vreesde (vgl. ook Ps, 101). Daarin moest dat koningshuis een bewijs en een teken zijn van Jahweh's koningschap over zijn volk. Doordat het in die opdracht faalde, ontnam het aan het volk het zicht op Jahweh en op zijn rechten gerechtigheid. Jeremia wordt naar het paleis gestuurd en moet daar oproepen tot bekering, rot het beëindigen van onrecht en geweld en onderdrukking (22 : 1-9).
Bouwen met onrecht
Vanaf 22 : 10 is niet meer sprake van het koningshuis van juda in zijn algemeenheid, maar komen met name genoemde koningen aan de orde.
Sallum, oftewel Joahaz, heeft te kort geregeerd om iets te kunnen doen. In 22 : 10-12 wordt dan ook niet gesproken over wat hij gedaan heeft, maar over wat er met hem gebeurt. En er is veel meer reden om over zijn lot te kragen, zegt de HERE, dan over de dode Josia.
Vanaf vers 13 gaat het over Jojakim.
En hij heeft wel degelijk wat gedaan. Hij is begonnen een groots paleis voor zichzelf te houwen.
Natuurlijk kostte dat veel geld. Maar geld was erg schaars in die dagen. Farao Necho had een fikse hoeveelheid goud en zilver als oorlogsschatting mee naar Egypte genomen. Het was een hoeveelheid van 100 talenten zilver en 1 talent goud. Als u bedenkt dat een talent ± 34 kg was, is het wel duidelijk dat het een aanzienlijke oom geld was. Jojakim had van zijn volk een zware belasting moeten heffen om al dat geld voor Necho bij elkaar te krijgen (2 Kon. 23 : 35). Economisch stond juda er bar slechts voor. En de schatkist van de koning was leeg. In die omstandigheden gaat Jojakim een groot, kostbaar paleis bouwen, zonder geld! Maar dan staat daar op een goede dag Jeremia bij de bouwputten en steigers en zegt: Wee hem die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, zijn opperzalen met onrecht. De muren van dit paleis worden niet gebouwd met stenen en de opperzalen worden niet opgetrokken van cederhout. Er wordt hier gebouwd met onrecht en ongerechtigheid.
Dat zijn de bouwmaterialen van dit paleis.
En wat was dat voor onrecht?
Jojakim liet de mensen aan de bouw van zijn paleis werken voor niets. Hij betaalde hun geen loon uit . Jojakim ging ervan uit dat je dat als koning zonder meer kon nalaten. Hadden zijn onderdanen niet de plicht hem te gehoorzamen en te doen wat hij hun gebood?
Ten opzichte van hun koning konden de mensen geen enkele aanspraak te maken op loon.
Maar dan zegt Jahweh: Vergeet dat maar, Jojakim. Wat je doet is puur onrecht. Met uw vader Josia stond het er beter voor. Die heeft recht en gerechtigheid gedaan. En toen ging het hem goed. Maar gij hebt enkel oog en hart voor onrechtmatige winst, vergieten van onschuldig bloed en het begaan van onderdrukking en geweld.