Gods hand in de geschiedenis?
1977-02-18
Onder auspiciën van de bekende stichting Unie "School en Evangelie" worden regelmatig cahiers uitgegeven, die de bezinning op en het gesprek over de identiteit van de christelijke school willen stimuleren.- Jaargang 21
- nummer 7
In november jl. heeft de Unie een boekje het licht doen zien over het geschiedenisonderwijs op de christelijke school. Het is geschreven door de heer H. G. Leih, leraar geschiedenis aan het Johannes Calvijnlyceum in Kampen.
Er zijn dacht ik drie argumenten aan te voeren om een boekje als dit in "Opbouw" te bespreken. Spreken en schrijven over het geschiedenisonderwijs zal altijd leiden tot de vraag naar de zin van de geschiedenis; ruimer nog, de vraag naar de zingeving van ons eigen bestaan. Een vraag die rechtstreeks te maken heeft met ons geloof en onze levensbeschouwing. Ten tweede: op de jaarvergadering van de persvereniging "Opbouw" is uitgebreid gesproken over de crisissituatie, waarin het christelijk onderwijs momenteel verkeert. In die situatie zullen we niet terzijde mogen blijven staan, maar zullen we moeten meedenken en meespreken over de vraag:, hoe kunnen we in onze tijd het christelijk onderwijs en dan met name het voortgezet onderwijs weer inhoud en gestalte geven?
Tenslotte: collega Leih bestrijdt in zijn boekje opvattingen over de geschiedenis die vooral in vrijgemaakte kring meer of min gemeengoed zijn. Daarom aandacht voor dit boek in dit blad.
Het uitgangspunt van het boek is dat jonge mensen met het oog op de toekomst, waarheen zij op weg zijn, geschiedenisonderwijs nodig hebben. Zij moeten zichzelf rekenschap kunnen geven in welke wereld zij leven en die wereld moeten zij goed kennen. Het behoort daarom tot de voornaamste opdracht van hen die geschiedenis onderwijzen, dat zij de leerlingen daarbij behulpzaam zijn door enkele aspecten van de wereld van vandaag aan de leerlingen duidelijk te maken. Vooral door de vraag te stellen, hoe deze wereld zich zo heeft ontwikkeld. Onderwijs in de geschiedenis zal dus actueel zijn, niet slechts in de zin van "nuttig", maar in de betekenis van zinvol. Bij dit laatste zal een christen-leraar in de geschiedenis terugvallen op de Bijbel. Hij belijdt immers Gods leiding over alle dingen. Christus is toch uiteindelijk van de geschiedenis doel en zin? De Bijbel leert duidelijk dat geschiedenis niet is het verhaal van willekeur en toeval, van gedetermineerdheid en noodlot.
Er zit in de geschiedenis systeem, richting, zin. Wat doet een leraar in de geschiedenis aan een christelijke school daar nu mee; wat doet iemand daar nu mee, die aan de hand van de Bijbel het wereldgebeuren wil verstaan? Kortom: kunnen wij Gods "hand" in de geschiedenis aanwijzen? Collega Leih ontkent dit. Wij hebben van God niet de bevoegdheid ontvangen om Zijn geheim te ontsluieren; elke poging om Zijn "hand", Zijn "vinger" in het historisch gebeuren aan te wijzen moet daarom wel mislukken.
Let wel, Leih ontkent niet dat God deze wereld geschapen heeft, haar door Zijn voorzienigheid onderhoudt en beschermt: deze wereld in Zijn hand houdt.
Wel wordt ontkend dat een geschiedenisleraar in zijn les, of een schrijver van een leerboek voor geschiedenis, op dezelfde wijze te werk zou kunnen gaan als de door Gods Geest geïnspireerde bijbelschrijvers.
Vooral uit het Oude Testament blijkt, dat het bij de geschiedenis van Israël niet gaat om een meer of minder volledig verhaal van wat er zoal is geschied, maar er wordt verteld wat God heeft gedaan tot verlossing van Zijn volk. Gods handelen staat centraal, in zegen en oordeel. In de Bijbel motiveert God steeds waarom Hij zo en zo handelt.
Collega Leih vraagt: zouden wij kleine mensjes in onze geschiedenislessen dit motiveren moeten overnemen?
Ik meen, dat deze vraag terecht ontkennend wordt beantwoord. Hoeveel oppervlakkigheid en willekeur is niet naar voren gekomen als men toch ging proberen om Gods "vinger" of Gods "hand" in de gebeurtenissen aan te wijzen? Om maar iets te noemen: wat een kerkelijke ellende is voortgevloeid uit de opvatting dat de Vrijmaking Gods werk was, in deze betekenis dat menselijke verantwoordelijkheden buiten het gezichtsveld verdwenen en dé Vrijmaking als zodanig niet in discussie mocht komen. Geeft men op deze wijze geschiedenis dan is het gevaar groot, dat men God ook verantwoordelijk stelt voor bijvoorbeeld het antisemitisme, uitlopend op "Auschwitz". In het ene geval Gods hand zegenend, in, het andere straffend aanwezig in de historische gebeurtenissen. Staat men dan niet heel dicht bij de casuïstiek, waarin de Farizeeën gevangen zaten toen zij met hun vragen bij Christus kwamen naar aanleiding van de dood van de Galileeërs en de achttien mannen, die omkwamen toen de toren van Siloam instortte? (Luc. 13)
Het geschiedenisonderwijs verhaalt dus niet de grote daden van de Here. daartoe is niemand in staat. Wat dan wel? Leih antwoordt op deze vraag: de geschiedenis verhaalt de daden van mensen, maar dan steeds van mensen in relaties. In relatie tot God, tot de medemensen, tot de natuurlijke werkelijkheid. Het is duidelijk dat geschiedenisonderwijs dan niet vervalt in het alleen maar vertellen of bestuderen hoe mensen in vroegere eeuwen hebben geleefd, gewerkt, gedacht.
Wat heeft de mens in het verleden van zijn relaties gemaakt? In het algemeen niet veel goeds.
Geschiedenis is vaak het verhaal van de falende, zondige mens. Het is het verbaal van schuld, van het kwaad in de wereld, met soms daar tussen door tekens van hoop, het verhaal van mensenlevens waarin de vruchten van de Heilige Geest zichtbaar worden (Galaten 5).
In zulke levens blijkt duidelijk dat God werkt in de geschiedenis: door mensen. Naast veel ellende, veel onrecht, veel lijden (ook de Satan is in de geschiedenis bezig!). toch ook tekenen van verlossing, tekenen dat Gods Rijk komende en al onder ons is. De Heer is bezig, zij het voor ons niet waarneembaar. Zijn Rijk te bouwen. Een geschiedenisleraar die door deze verwachting wordt gedreven, zal op een andere manier de geschiedenis benaderen en behandelen dan zijn collega, die meent dat hij met de Bijbel in zijn geschiedenislessen niet veel kan beginnen.
Het is de grote verdienste van de schrijver, dat hij in een aantal punten deze gedachten konkreet maakt.
Vanwege het grote belang er van geef ik ze, iets verkort, door.
1. Collega Leih is in zijn lessen spaarzaam met beoordelingen, udt vrees voor generaliseren en het oproepen van spookbeelden.
2. Niet generaliseren: spreken over "het" kapitalisme, "het" fascisme, "het" communisme leidt onvermijdelijk tot een onjuiste visie bij de leerlingen.
3. Wel partijkiezen in zaken waarin men zich grondig heeft verdiept. Bereid zijn om eigen oordeel en zelfs criteria in een klas ter discussie te stelden.
4. De leraar moet de leerling niet dwingen zijn mening over te nemen. Indoctrineren in welke vorm ook, mag op een christelijke school niet voor komen.
5. De geschiedenis niet beoordelen met maatstaven die wij in onze tijd met zijn eigen aard, aanleggen.
Bijvoorbeeld de kwestie van de slavernij.
Mensen uit vroegere tijd, die anders dachten en handelden dan wij, zijn niet slechter dan wij of belachelijk.
6.. Nooit "spannend" vertellen over gruwelijke zaken als oorlogen, concentratiekampen e.d. ...
7. Het negende gebod, dat verbiedt een vals getuigenis te geven, geldt ook voor het geschiedenisonderwijs.
Zuinig zijn op de goede naam van de naaste in heden en verleden. Aan ieder recht doen, zoals in een rechtsstaat de rechter iedere beschuldigde rechtvaardig wil verhoren en vonnissen.
8. Nooit honend of minachtend spreken over de idealen van anderen (b.v. marxisten}, ook al is men het daar helemaal niet mee eens.
9. Schelden op anderen, op joden, kapitalisten, ondernemers, communisten, fascisten, negers, is altijd minderwaardig.
10. De actualiteit hoeft niet te worden geschuwd.
Actuele zaken kunnen echter alleen goed worden behandeld in het licht van de geschiedenis.
Geschiedenis op deze wijze gegeven zal goed, verantwoord geschiedenisonderwijs zijn. Goed ook, gemeten naar Bijbelse maatstaven. De leerlingen worden dan geen napraters, maar kritisch ingestelde mensen die hun tijd verstaan, de geesten beproeven, de tekenen der tijden weten te onderscheiden.
Daarom ben ik blij met dit boek. Ik hoop dat het zal leiden tot uitvoerige discussie en tot hernieuwde bezinning in de kring van degenen die les geven in de geschiedenis aan een christelijke school.
Een kritische opmerking tot slot. In hoofdstuk 9 wordt vrij uitvoerig een leerboek voor de kerkgeschiedenis, geschreven door ds P. K. Keizer, bekritiseerd. Ik vind eerlijk gezegd deze uitgebreide kritiek niet zo erg van belang. Waarom worden bijna vier pagina's hieraan gewijd en aan het even "gevaarlijke" boek van Feis en Offermans maar enkele regels? Ik heb de indruk dat ds Keizer nu niet helemaal recht wordt gedaan. De argumenten contra Ketzer's opvattingen zijn door de lezer van Leih's boek niet volledig op hun waarde te schatten. Dit hoofdstuk had mijns inziens niet in deze vorm in het boek opgenomen moeten worden, te meer omdat nu de aandacht wordt afgetrokken van de andere hoofdstukken waarin zoveel voortreffelijke dingen staan.
Het boekje van de heer Leih telt 104 bladzijden, kost f 10,90 en is uitgegeven bij Kok in Kampen.