DEZE AEMECHTIGE JODEN

1977-02-25
  • Jaargang 21
  • nummer 8
n.a.v. ds G. F. W. Herngreen, Een Handjevol Verkenners.
Ten Have, Baarn f 17,50.

U kent de geschiedenis nog wel van Nehemia, die in opdracht van Babels koning (en over zulks mede in opdracht van Jahwe) Jerusalems vernielde muren in twee maanden opbouwde? Wel, dan weet u ook dat de stadhouder Sanballat, die weliswaar de koninklijke volmacht gezien had maar tegen de herbouw van Jerusalem grote bezwaren had, het werk van Nehemia trachtte te verhinderen. Onder meer hanteerde hij het wapen van de spot. En hij was het die Nehemia's handjevol pioniers, ballingen met tijdelijk verlof, aansprak als "deze aemechtige Joden". Het wapen is sedertdien in de kerkgeschiedenis nog vele malen geslepen en gebruikt; we hebben allen deze vernederende term wel eens moeten horen. En dan troosten we ons met Nehemla's antwoord: "God van de hemel. Die zal het ons doen gelukken".

Aan deze geschiedenis moest ik voortdurend denken bij het lezen van bovengenoemd boek. De ondertitel luidt namelijk: "Ontstaan en geschiedenis van het Hersteld Verband". Waarmee bedoeld is: de Gereformeerde Kerken in Nederland ... in Hersteld Verband.

Die geschiedenis begon in 1926, toen de Asser Synode van de Gereformeerde Kerken een predikant van Amsterdam-Zuid afzette. Het ging toen om dr J. G. Geelkerken. Die geschiedenis eindigde in 1946, toen het Hersteld Verband en bloc opging in de Nederlands Hervormde Kerk. En dat laatste is niet helemaal juist; de ondertitel spreekt dan ook niet van het einde. De schrijver is er van overtuigd dat het werk, door een handjevol verkenners tussen 1926 en 1946 opgebouwd, nimmer beëindigd is - maar voortgezet wordt in de opbouwbeweging binnen de Ned. Herv. Kerk.

Nu was het aanvankelijk eerlijk mijn bedoeling, de bespreking van dit boekje af te doen met een aantal anecdotische herinneringen aan de Asser Synode van 1926. Want 1926 was het jaar, dat wij geen catechisatie kregen omdat onze predikant synodelid was. En 1926 was het jaar van de slang, die wel of niet gesproken zou hebben. En 1926 was het jaar van de nationale anecdotes: tot op de beurs zeiden Joodse makelaars tegen hun Gereformeerde collega's: "hoe kén die slang nou gesproken hebben - en hij heb geeneens handen!" Jawel, heel Nederland had nog belangstelling wanneer er wat gebeurde in de Gereformeerde Kerken.

En 1926 was het jaar, waarin de gedaagde dr Geelkerken ter synode toog met een koffer vol boeken. De kruier vroeg: wat zit er toch in dat zware ding? Allemaal slangen, moet junior gezegd hebben. En 1926 was het jaar van de wekelijkse debatten tussen myn Vader en zijn collega ds Joh. Jansen uit Wierden over het omgebogen kerkrecht. Vader, die zijn eerste synode beleefde (en broekies spraken de eerste keer niet mee, net als in de Tweede Kamer) sprak thuis met vuur over het doleantie-kerkrecht, hem bijgebracht door de Ouwe Bram Zelf. Maar ds Jansen - ik heb het hier al eens verteld - vond een precedent bij Voetius, waardoor ook deze laatste frommel rechtgestreken werd. En 1926 was het jaar, waarin mannen als dr S. O. Los, dr S. Greydanus en anderen bezwaren maakten tegen de onkerkelijke behandeling van dr Geelkerken het kan nooit goed geweest zijn voor hun carrière. En 1926 was het jaar, waarin diverse “goed-gereformeerde" predikanten bedenkelijk wankelden; en zij niet alleen. Hun hart stond achter Geelkerken - maar hun boterham, of hun vrouw, of wat ook, stond aan de andere kant. Herngreen spreekt met mild begrijpen over deze lieden.

En namen worden er niet genoemd; ook nu niet.
Dr Geelkerken is niet alleen onrechtmatig afgezet - maar hij is ook in zijn gelovig hart diep gegriefd. Als Hendrik de Cock. Als dr K. Schilder. Als Johannes Huss. Als Maarten Luther, Kijk, toen ik zo die geschiedenis, van gene zijde beschreven, las kwam ik terug van mijn anecdote-voornemens. Ik zag ineens de overeenkomsten met de vrijmaking in 1944, de buiten-verband-stellingen, de ketterjacht daaraan voorafgaande en alle vervolgingen die er bij kwamen. Al lezende word je erbij betrokken. Het gaat je wat doen.
Je voelt zelf de pijn weer: van broeders, met wie je brood en wijn deelde en die na dato je een trap onder je zitvlak gaven.

Het boekje van ds Herngreen is geschreven: juist vijftig jaar na Assen.
Het wil geen monumentje bouwen - och arme, waarvoor eigenlijk?
En wat betekent een monumentje helemaal voor een kerkengroep die geen eigen leven meer leidt? Het Hersteld Verband is op geen kerkelijke kaart meer aan te wijzen. Maar toch - zo wijst de schrijver nederig aan - werkt het vandaag nog door in de vorm van gist; werkt de Geest vandaag nog door op het thema, dat van 1926 tot 1946 duidelijk klonk.

De gemeente van ds Geelkerken en de andere gemeenten en kerkjes zijn door "ons" de woestijn in gestuurd. Zondebokken, die de dogmatische twijfels - begin van alle, ook Christelijke wetenschap - uit het leger moesten dragen. Maar die zondebokjes, hoewel soms aemechtig, hebben zich redelijk goed gehouden. Als een groep wakkere verkenners hebben ze zich aaneengesloten in een "Hersteld Verband".
Achter hen klonk de schaterlach: Hersteld Verband? Hellend Vlak bedoelen ze; want waar blijf je als je de sprekende slang dubieus stelt?

Maar het Handjevol Verkenners (ziet u het letterspel?) heeft de vrijheid geroken... bûiten de officiële kerkmuren buiten dewelke geen zaligheid heette te zijn! Ze hebben ontdekt, dat de Heilige Geest ook buiten de Gereformeerde Kerken aanwezig is. Ze hebben zich, door de nood gedreven, eerst aan de Heere Christus en vervolgens aan elkander gegeven. Toen hebben ze zichzelf en elkaar de rekening voorgehouden, die door de Asser Synode geweigerd was. En ze hebben de hoge eisen maar aan zichzelf gesteld: breng in praktijk datgene wat nodig is om belijdende kerk van Jezus Christus te zijn. Met heel de menselijke scala van vallen en opstaan hebben ze dat werk in twintig jaar volbracht. En daarover wil ds Herngreen graag een boekje open doen.

Het begon eigenlijk zo gewoon, als elk kerkelijk conflict begint. Dr Geelkerken, een predikant (46) die niet zo piep meer was, had in een kerkdienst in het midden gelaten of de slang uit Genesis 3 nu in duidelijk verstaanbare taal gesproken zou hebben - dan wel of de verleiding op andere wijze op Eva zou zijn overgedragen. Hij preekte over de satanische verleiding - niet over de slang. Maar er zat een broeder onder zijn gehoor (zijn naam is broeder Marmus, maar de schrijver noemt hem niet) en deze broeder had het góed verstaan.

Hoewel Genesis 3 zegt dat de slang wel en degelijk sprak - had zijn predikant in het midden gelaten of die slang wel of niet verstaanbaar sprak.

En nu denkt u aan de natuurkundigen Copernicus en Galilei. Die ontdekken dat de zon niet om de aarde draait - maar andersom. En dit terwijl de Schrift zegt: gij zon sta stil in het dal van Gibea en ook dat de zon de ganse hemel omloopt! Alleen door zijn wetenschappelijke vaststelling in te slikken heeft Galileï zijn huid van de brandstapel kunnen redden. De eerste was zo wijs zich stil te houden tot zijn levenseind.

Het was nu dr Geelkerken en de ketterjacht werd ingezet. Aan de letter van de Schrift was geweld aangedaan. Het ging om de waarheid, om de Waarheid, zei de synode. - Het ging om de verleiding van de mens, door de Satan. zei dr Geelkerken. - Het ging om wetenschappelijk bewijsbare feiten, zeiden Copernicus en Galileï. - Als je dit toestaat, zeiden onze dogmatici, is het eind zoek; dan kun je alles in de Schrift wel dubieus stellen.

Vergeet niet dat men in de branding van de 19e eeuwse Schriftkritiek stond. Enerzijds begreep men zeer wel, dat de Schrift dichterlijke termen bevat, die indirect moeten worden verstaan. De borsten van de bruid uit het Hooglied bijvoorbeeld waren geen tweelingen van een gazel - maar de dichter zág het zo. En alle mensen uit psalm 116 zijn nog volstrekt geen leugenaars - maar de dichter zág het een ogenblik zo.

Zo waren er in 1926 veel meer mensen. die bepaalde Schriftplaatsen niet naar de letter - maar wel naar de inhoud ondergingen. Wat moesten ze anders met duistere plaatsen. die of onvertaald bleven of zo onzinnig vertaald. dat een latere vertaling (N.B.G. bijvoorbeeld) een openbaring betekende? Wijlen prof. B. Holwerda zei eens in een preek: "sommige dingen worden ons in de Schrift niet geheel duidelijk gemaakt; die zijn dus voor onze zaligheid niet nodig". En deze harde werker maakte zich allerminst van de duistere plaatsen uit het oude testament af!
Het heeft weinig zin over mysteries, verborgenheden. te kibbelen.

Kunst is om vrede te houden met de huisgenoten des geloofs. ook wanneer je moeilijke plaatsen verschillend ondergaat. Die kunst heeft het Hersteld Verband betracht. En dr Geelkerken deed zijn ambtelijk werk - zonder zijn schapen in verwarring of de Gereformeerde Kerken in opschudding te willen brengen. Hij stelde vast. hetgeen de Schrift vast stelt. Hij liet in het midden, hetgeen de Schrift in het midden laat. Zo stond hij niet boven, maar onder de Schrift.

En dat op een ongelukkig moment! Want de 19e eeuw had, ons de wetenschappelijke Schrift-kritiek geleverd. Goethe meende te kunnen bewijzen: dat Abrahams kinderen nooit veertig jaren in de woestijn konden hebben omgezworven: technisch onmogelijk, uit! Jawel. Maar de Heere had die 40 jaar gezet op het ongeloof van Zijn volk. En de Heere klaagde. dat Hij veertig jaar verdriet heeft gehad van zijn volk.
En de Geest zegt door Jozua, dat de Heere zijn volk gedurende veertig jaar heeft geleid op zijn weg. Goethe was er dus naast.

Zo zou u ook kunnen zeggen: onmogelijk, dat Jona door een vis is opgeslokt en na drie dagen levend uitgespuwd; technisch onmogelijk uit! Jawel. Maar de Heiland zei: zoals Jona drie dagen en nachten in een monster is geweest, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en nachten in de aarde rusten. Technisch onmogelijk? Bij God zijn alle dingen mogelijk, halleluja! Al zitten we vandaag nog met die 3 dagen en 3 nachten uit Matth. 12 - want de Schrift geeft ons de indruk als zijn het maar 2 nachten en een dag geweest. (Bezwaarschriften zijn overbodig; schrijver dezes heeft tot vier maal toe de Drie Formulieren ondertekend.)

(Wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief