Kinderen verbinden met Christus

2012-05-26
  • Jaargang 56
  • nummer 11
Als vader van drie kinderen – een puberende knul van bijna 14, een tegen puber aanhangende knul van 12 en een bijdehante tante van 10 – word ik nogal eens aan het denken gezet door hun vragen en opmerkingen. Bijvoorbeeld over hoe ik als vader kan of moet reageren op wat zij bij mij en mijn vrouw – maar ook bij anderen – zien over het christelijk geloof en wat dat betekent in de dagelijkse praktijk.

Met de oudste vind ik het nog het gemakkelijkst. Hij staat te trappelen om belijdenis te doen. Hij gelooft met hart en ziel dat Jezus hem roept om Hem te volgen. Hij trekt daaruit conclusies over hoe en wat hij dan wel of niet zou moeten doen. En daaraan probeert hij zich zo goed en kwaad als het kan te houden. Mijn rol naar hem is vooral: steunen om vol te houden en helpen als hij ergens niet uitkomt.
Met de middelste vind ik het lastiger.
Hij kan regelmatig niet geloven wat er in de Bijbel staat, bijvoorbeeld dat de zon heeft stilgestaan (Jozua 10:12-14).
Maar hij is ervan overtuigd dat God Zich met mensen bezighoudt. Zo was hij er nog niet zolang geleden bij dat iemand ons vertelde ergens geld voor nodig te hebben. Nog diezelfde dag werd er bij die persoon een envelop met het benodigde bedrag bezorgd.
Wij hadden het niet gedaan en er ook met niemand over gepraat, en de middelste trok zelf de conclusie dat het de heilige Geest moest zijn geweest die het bij een ander ingegeven had. Mijn rol naar mijn middelste is vooral: sturen – laat het wonder het wonder zijn en staar je daar niet blind op, maar kijk hoe God wonderen gebruikt om mensen in beweging te zetten of bij te staan.
De jongste vraagt de meeste tijd. Zij ziet geloof als iets vanzelfsprekend, zoals ademhalen. Maar zij wil vooral begrijpen, dus tijdens de preek stelt ze regelmatig vragen over wat de predikant precies bedoelt. En als ik iets over mijn werk vertel – ik ben kerkelijk jongerenwerker – dan wil ze ook uitvoerige uitleg over het waarom en wat. Mijn rol naar haar is: onderwijzen.

Het begint bij God
Als vader speel ik in de geloofsopvoeding een paar rollen die per kind verschillen. Wat mij daarvan bewust heeft gemaakt komt uit Deuteronomium 6:6-8: ‘Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten.
Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat.’ Het begint in de aangehaalde verzen bij God. Hij heeft de Tien Geboden gegeven. Later is Hij het die zijn Zoon tussen Hem en ons in zet en nog veel later heeft Hij Zich in Christus ook aan mij bekendgemaakt.
Het initiatief komt helemaal bij God vandaan. Door zijn initiatief ben ik door de tijd heen op een bepaalde manier in het leven komen te staan.
Die manier van in het leven staan is bij mij, ondanks regelmatig vallen en opstaan, gevormd door de hulp die ik vind in de Bijbel. Steeds weer kan ik lezen over hoe God wil dat we met Hem en met elkaar leven. Het initiatief komt dus bij God vandaan, maar ik ben het die wat God wil aan mijn kinderen moet doorvertellen. En hoe ik dat precies doe heeft alles te maken met hoe mijn karakter is ontwikkeld en hoe ik ben opgegroeid. Sommige dingen vind ik vanzelfsprekend, andere dingen kosten me moeite.
Ik vergelijk het met hoe ik mijn kinderen leer wat ik belangrijk vind in de omgang met anderen. Zo leren ze van mij ook hoe ik met God omga. Want als ik mijn kinderen daar niet over vertel, hoe komen zij er dan achter?

Antwoorden uit jezelf
Geloofsopvoeding is voor mij daardoor een voortdurend gesprek met mijn kinderen over wat ik meemaak en wat zij meemaken. Gewoon de dagelijkse dingen, maar ook de dingen die wij in verband brengen met God. En omdat mijn jongens aan het puberen zijn, moet ik daar soms erg mijn best voor doen. Want ook ik ben vaak de zeurende, suffe vader die het allemaal niet begrijpt.

Toch gebeurt het vaak genoeg dat we een-op-een of met elkaar een goed gesprek hebben.
Is dat dan een gave die ik als kerkelijk jongerenwerker wel heb en andere niet? Ik denk dat dat te makkelijk gezegd is. We komen regelmatig tot goede gesprekken, omdat mijn vrouw en ik van jongs af aan verteld hebben over wat geloven voor ons betekent.
Waarom doen we iets wel of niet op zondag? Waarom en hoe vieren we de christelijke feestdagen? Allemaal van die onderwerpen die toen ze jong waren over min of meer eenvoudige dingen gingen; op de vraag waarom we thuis Kerst vieren vertelden we gewoon het kerstverhaal.
Zo hebben de kinderen toen ze jong waren hun Bijbelkennis gekregen; door hun te vertellen wat er in de Bijbel staat. Altijd zo veel mogelijk gericht op waar ze zelf om vroegen.
Nu ze ouder worden gaat het veel meer over de vraag waarom en hoe.
Het verhaal kennen ze vaker wel dan niet. Maar waarom het voor mij van betekenis is, daar kan ik geen verhaal meer over vertellen. Die vraag moet ik beantwoorden vanuit mijzelf. En daar wordt het spannend, want misschien zijn ze het wel helemaal niet met me eens of beleven zij het zelf heel anders. Ik ervaar bijvoorbeeld de geboden waar Deuteronomium 6:6-8 naar verwijst niet als een beperking van mijn vrije keuze, maar als een bescherming tegen verslaving en verleiding, die meer stuk zouden maken dan dat het plezier zou opleveren als ik eraan toegaf. Maar in de ogen van mijn kinderen heb ik alles al, dus heb ik niets meer te begeren. Zij wel. Zij hebben nog heel veel dat ze begeren. Dus waar ik het heb over consuminderen, hebben zij het over consumeren.

Steeds opnieuw vragen
De grootste valkuil is dan dat ik mijn mening als vader boven die van het kind zou zetten. Dat doe ik als ik mijn oudste erop wijs dat hij nog niet alles weet, of door mijn middelste te vertellen dat het niet zo zwart-wit is als hij denkt. Als ik dat doe, is het geloofsgesprek meteen voorbij. Het gesprek gaat alleen verder als ik mijn kinderen vraag om te vertellen wat ze bedoelen. Ze steeds weer opnieuw vraag naar hun uitleg van wat ze zeggen. Daarbij moet ik voor ogen houden dat ze nog niet in staat zijn om bij elke opmerking die ze maken alle gevolgen te overzien.
Dat moeten ze leren. Pas als ze me vragen hoe ik erover denk, staan ze open voor hoe ik het zie. Daar is het gesprek voor, om ze te leren inzien wat voor gevolgen het geloof in God voor hen heeft. Dan kan ik nog best zeggen dat ze bepaalde dingen van mij moeten. Maar het belangrijkste is dat ze zelf gaan groeien naar die keuze om bij God te willen horen.
God dwingt geen mens om dat te doen. Hij nodigt wel uit. Daar neem ik als vader een voorbeeld aan.

Dit artikel is verschenen onder redactie van het NGJ. Het NGJ wil leiders inspireren om jongeren te verbinden met Christus.

Paul Smit is betaald jeugdwerker binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken.

Rollen geloofsopvoeding
Steunen:
Kinderen hebben materiële dingen nodig, zoals kleren, eten en zorg. Maar ook steun in de vorm van warme aandacht en emotionele veiligheid! Steun door veiligheid te bieden, door hun gevoelens te erkennen en te benoemen en door te kijken en te luisteren waar een kind behoefte aan heeft.
Stimuleren: Kinderen willen graag dingen zelf doen, ze zijn druk bezig zelfstandiger te worden. Dat vraagt veel geduld en uithoudingsvermogen van een ouder. Stimuleren betekent een kind de ruimte geven zelf dingen te proberen en hem de kans geven iets van een ouder te leren.
Sturen: Kinderen hebben sturing en ordening nodig, ze moeten leren omgaan met regels en grenzen. Ze moeten ook leren omgaan met het gebrek aan grenzen. Hoe? Door een kind duidelijkheid te bieden, door heldere regels te stellen, hoofdzaak en bijzaak te scheiden en positief over een kind te denken en te spreken.
Onderwijzen: Kinderen hebben informatie nodig, ze zijn bezig met leren begrijpen wat er in de wereld om hen heen gebeurt. Welke informatie uit welke bron een kind haalt ligt voor een deel aan de informatie die een ouder geeft.

Geloofsgesprek: de kenmerken
Een open Bijbel: het gaat erom dat Gods woorden kleur geven aan ons gesprek. Het gaat niet om onze meningen, onze ervaringen en onze inzichten, maar om wat onze Heer zegt en hoe we dat moeten toepassen in ons dagelijks leven, in onze relaties, in onze mooie en onze moeilijke momenten.
Een open hart: het gaat erom dat we persoonlijk zijn en ons hart en ons leven openstellen voor de ander. Dat is niet gemakkelijk, want het maakt je heel kwetsbaar. Daar is een veilige omgeving voor nodig, met mensen die je kunt vertrouwen en die nooit misbruik zullen maken van je openhartigheid.
Een open oor: het gaat erom dat we echt proberen te luisteren naar wat God zegt, naar wat de Geest ons wil duidelijk maken én dat we echt luisteren naar de ander als hij of zij iets moeilijks of iets moois vertelt. Juist door de ander heen kan de Geest je ook aanspreken: we hebben echt elkaar nodig om Gods woorden te horen en ze in praktijk te brengen.
(Ds. J. Douma, 05-09-2008)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief