JEREMIA

1977-03-04
  • Jaargang 21
  • nummer 9
De tempel van Jahweh
Daar kwam oog bij dat men niet alleen de naaste dupeerde, maar ook andere goden achterna liep.
Eigenlijk kan dat ook niet anders.
God Iiefhebben en de naaste liefhebben is immers één gebod. Waar het met het één scheef zit, is het ook met het ander niet in de haak.
Wie over zijn naaste heenloopt, heeft een afgod, b.v. geld of macht of een glanzende, carrière.
Wie zijn eigenbelang dient, dient onvermijdelijk een of andere afgod.
Dat men door deze handel en wandel het oordeel van jahweh naar zich toetrok, zag men niet. Men was er in tegendeel helemaal van overtuigd dat men goed: zat en geborgen was (7 : 10).
Waar kwam die gedachte vandaan?
Die was een gevolg van het feit dat ze die telkens te horen kregen. De priesters en profeten in Jeruzalem hamerden het erin: de tempel van Jahweh, de tempel van Jahweh, de tempel van Jahweh is dit (7: 4). Hier moet je wezen. Hier sta je onder de bescherming van Jahweh. Hier ben je veilig en geborgen, Dat was een troostvoile prediking, bemoedigend en getuigend vaneen sterk vertrouwen in Jahweh.
En het volk aanvaardde en geloofde die prediking. Het kwam blij naar de tempel in Jeruzalem.
Het vertrouwde dat het onder Jahweh's bescherming stond. En de psalmen daverden over het tempelplein: Want deze God is onze God. Tot de dood toe zal Hij ons geleiden.
Was het dan niet prachtig dat de priesters en profeten het volk leerden op Jahweh te vertrouwen?
Neen, het was niet zo mooi. Ze leerden het volk vertrouwen op bedrieglijke woorden (7 : 8). Hun mooie woorden harmonieerden niet met de levenswandel van het volk en van henzelf. Op je eigenbelang uit zijn en onder Gods bescherming satan, sluiten elkaar uit.
Omdat de priesters en profeten dat buiten beschouwing lieten, moet Jeremia er het volle accent op laten vallen. Waar men in zijn levenswandel Gods Woord verwaarloost, staar men niet onder Gods bescherming, Daar komt onvermijdelijk het oordeel. Daar geeft ook de tempel geen garanties.
Want die zal dan mee ondergaan in het oordeel, precies zoals eens het heiligdom in Silo (7 : 14).
Een blijmoedig geloofsvertrouwen is prachtig. Maar het is alleen reëel, als wij niet leven voor onszelf, maar voor Christus.

Furieus
Wanneer Jeremia de vinger op de wonde plek legt, wekt hij een enorm verzet bij degenen die hem horen. Dat is niet zo verbazingwekkend.
Want een mens wil niet ontmaskerd worden. Hij wil niet graag door de mand vanen en op zijn zonden aangesproken worden.
En vooral de vrome mens die zijn mond vol heeft over God maar die Zich in zijn levenswandel niets van Hem aantrekt, wil dat niet.
Niemand reageert zo furieus op de ontmaskerende prediking van het evangelie als juist de vrome mens die zichzelf wil handhaven.
Want hij wordt niet alleen met zijn zondige levenswandel geconfronteerd, maar bovendien wordt zijn vroomheid als bedrog ontmaskerd.
Hij vale om zo te zeggen in dubbele zin door de mand.
En daarom reageert juist hij als door een horzel gestoken.
Dat was ook het geval op het tempelplein.
De priesters en profeten en het volk hebben zich tijdens de preek van Jeremia enorm opgewonden.
Ze dringen op hem aan, grijpen hem vast en schreeuwen: Sterven zul je! Hoe durf je het te wagen in de naam van Jahweh te profeteren dat de tempel en de stad verwoest zullen worden! (26: 8, 9).

Proces
Jeremia is in een uiterst kritieke situatie terecht gekomen. Profeteren kan een bijzonder gevaarlijke opdracht zijn. Jeremia is niet de enige die dat ondervonden heeft.
Gelukkig voor Jeremia krijgen de edelen en vorsten in het paleis bericht van de opschudding op het tempelplein. Snel gaan ze er heen en gaan dan aan de ingang van de nieuwe poort zitten (26 : 10). Met andere woorden: ze openen een rechtszitting. En dan wordt Jeremia door de priesters en profeten voor de rechters gesleept.
De priesters en profeten zijn door het dolle heen. Want de betrouwbaarheid van hun prediking en daarmee hun gezag en macht over het volk staan op het spel. Ze eisen niets minder dan de doodstraf (26: 11).
Maar Jeremia krijgt de gelegenheid zich te verdedigen. Hij legt de nadruk op het feit, dat Jahweh hem opdracht gegeven heeft deze woorden te spreken. Niet omdat Hij de tempel en de stad zo graag verwoesten wil en het volk zo graag de ondergang in wil jagen, maar juist om het volk tot inkeer te laten komen om op die manier het oordeel nog te voorkomen (26 : 12, 13). Ik ben geen nihilist, geen godloochenaar. Ik heb ook niets tegen de tempel als zodanig, Ik heb alleen maar het Woord van God gesproken (26 : 15).
Met deze woorden overtuigt Jeremia de vorsten. Ook het volk staat niet meer achter de eis van de priesters en profeten (26 : 16).
Er komen zelfs enkele oudsten uit het volk. naar voren, die met een voorbeeld uit de geschiedenis aantonen, dat het helemaal fout zou zijn Jeremia ter dood te brengen (26: 17-19).
Jeremia wordt vrijgesproken. Het levensgevaar is op dit moment voor hem geweken, dank zij de bescherming van de vorsten, met name van Ahikam (26: 24). Er is gelukkig nog recht gesproken.
Maar de vijandschap en het verzet tegen Jeremia - en in hem tegen het Woord van God groeit. Waar het evangelie niet wordt aanvaard en de harten niet opengaan, wordt de afkeer sterker.
Ook Jeremia zal dat ondervinden, Wat Jeremia op het tempelplein te vertellen had, was hard. Het rukte maskers af. Het priemde dwars door de vrome schijn heen.
Maar het deed dat niet om af te stoten, maar om te behouden. Ook vandaag onthulllen het evangelie en Christus onze zondigheid, maar niet om ons met de zweep te slaan en ons aan de schandpaal te kijk te zetten, maar juist om ons te behouden. Christus confronteert ons met onze zonden en ontmaskert ons met de bedoeling dat wij ons aan Hem zouden vastklampen en gered worden.
Die ons ontmaskert, is onze Redder.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief