Nog eens: de zondvloed
1977-03-04
Een herinnering- Jaargang 21
- nummer 9
Zoals ik in het vorige artikel over dit onderwerp zei, wil ik daarover nog wat doorpraten.
Het ging zoals de lezers ervan nog wel zullen weten over de vraag of de zondvloed de hele aardbol bedekte of slechts een deel daarvan. Een anonieme brochureschrijver beschuldigde dr Kuyper van "Schriftaanranding" omdat deze het vermoeden had uitgesproken, de mogelijkheid had opengelaten, dat de zondvloed slechts een deel van de aarde had getroffen, En we hoorden hoe Schilder zich scherp tegen deze anonymus keerde.
Schilder vatte zijn kritiek op deze, zich tegen de Asser synodebesluiten kerende, brochureschrijver zo samen:
1. Aan dr Kuyper worden "Schriftuurlijke bewijzen" ontzegd, maar dit is de zaak op haar kop gezet; want dr Kuyper had geen bepaalde stelling (hij had slechts een "vermoeden" en sprak van "allicht" niet heel onze aardbol"). Hij beweerde slechts, dat bepaalde Schriftgedeelten niet dwingen in één of andere richting; 2. van de "Schriftbewijzen" heeft de anonieme auteur deels geen nota genoemd, deels op de klank af maar wat beweerd;
3. hij heeft dr Kuypers dilemma (geheel of mogelijk gedeeltelijk) nooit zuiver gesteld;
4. zijn eigen voorstelling der dingen kan geen enkel Schriftbewijs tot steun oproepen;
5. wat dr Kuyper mogelijk achtte, is volstrekt niets nieuws;
6. het verschil tussen dr A. Kuyper en deze naamloze criticus loopt alleen over de omvang, het gebied, van de vloed; en ook over het getal van de daarbij ter sprake gebrachte schepselen, maar IN GEEN ENKEL OPZICHT heeft het ook maar iets te maken met de vraag: was het werkelijkheid of niet; hogere of lagere werkelijkheid: mythe, inkleding of historie bericht; omdat dr Kuyper in elk opzicht de heel gewone werkelijkheid aanvaardde, zelfs niet alleen in de grote cirkel van noord- tot Zuidpool, maar ook in details als b.v. de opsluiting en de uitlating der dieren in en uit de ark.
7. daarom is het ook geheel te onpas, door en door onwetenschappelijk, en het werkt verwarrend, als de anonieme schrijver dr Kuyper beschuldigd van ‘oneigenlijk' opvatten van Schriftgedeelten. Want het debat over "eigenlijk" of "oneigenlijk" heeft in het debat rondom Assen een heel andere wending genoten, omdat het daar ging over een "historische" werkelijkheid dn het vlak van ons menselijk, tijd-ruimtelijk leven, dàn wel over een "hogere" werkelijkheid.
Van zulk een dilemma is bij dr Kuyper geen sprake.
8. Dr Kuyper kwam. tot de nadere overweging van een en ander alleen door de drang, om alle Schriftgegevens tegelijk tot hun recht te laten komen, en hij kwam niet tot zijn opvatting om redenen buiten de Schrift gelegen, al achtte hij zijn opvatting ACHTERAF wel bevestigd uit buiten-bijbelse gegevens (fossielen, hoogte der bergen, de constructie van het verhaal, zodra men het zich concreet voorstelt);
9. daarom heeft de anonieme predikant dr Kuyper onrecht gedaan, de vergelijking met Assen door en door scheefgetrokken, en van de kernvragen van zijn onderwerp niets begrepen, zelfs geen ernstige studie gemaakt.
En Schilders conclusie is dat men als men op de wijze waarop Kuyper de mogelijkheid stelt van een partiële zondvloed, men geen ,,Schriftaanrander" is.
In verband met deze polemiek met de anonieme brochureschrijver maakt Schilder een zeer belangrijke opmerking.
Ze is deze: "Gereformeerde wetenschap knoeit niet met feiten; feiten kunnen aanleiding zijn tot nader onderzoek van de Schriftgegevens en hun bedoeling.
Scheef loopt het eerst, als wat men houdt voor het "feitenmateriaal" ons tot maatstaf in de Schriftaanvaarding of -verwerping wordt."
Een duidelijk voorbeeld' daarvan dat "feiten" aanleiding kunnen en zelfs ook moeten zijn voor het stellen van de vraag of men de Schrift op een bepaalde plaats wel juist gelezen heeft is het volgende.
Anderhalf duizend jaar heeft men in de kerk rotsvast geloofd dat de zon zich om de aarde wentelde. Dat was een "goddelijke waarheid". Dat stond duidelijk in de bijbel. En wat die zegt moest je "letterlijk"
nemen.
Welnu in Jozua 10: 12, 13 lezen we dat Jozua tot de HEERE sprak en voor de ogen van de Israëlieten zeide: "Zon, sta stil te Gibeon, en gij maan, in het dal van Ajalon. En de zon stond stil en de maan bleef staan."
Zei Jozua hier niet overduidelijk dat de zon zich om de aarde beweegt? Anders zou hij niet tegen de zon kunnen zeggen: sta stil!
Toen geleerden als Copernicus en Galileï betoogden dat niet de zon om de aarde, maar de aarde om de zon draait kwam heel de kerk en met name de kerkelijke autoriteiten in het geweer. Dat was Schriftaanranding!
"Het Heilig Officium der Inquisitie" van de Roomse Kerk bemoeide zich met de zaak en verklaarde dat de stelling dat de aarde dagelijks om haar as wentelt en dat ze in een jaar om de zon draait in strijd was met het christelijk geloof! Aanvankelijk berustte Galilei in dit oordeel. Maar de waarheid werd hem te sterk en hij overtrad het verbod zijn "ketterse leer" te leren of de verdedigen, Hij moest toen in Rome komen, werd verdacht verklaard en gedwongen zijn dwa:llng af te zweren.
Ook in de protestantse kerken werden banvonnissen geveld over predikanten die deze "ketterij" voorstonden.
De goede "Vader Braker” verklaarde in zijn "Redelijke Godsdienst" - meer dan een halve eeuw na Galileî's dood - nog dat lieden die beweren dat de aarde al draaiend om de zon draait het hoofd draait. 1) Nu weet ieder schoolkind van de draaiing van de aarde om haar as en van de jaarlijkse wenteling van de aarde om de zon.
Hoe kwam het nu tot deze afschuwelijke affaire? Natuurlijk waren die tegenstanders van Galileï te goeder trouw. Maar hun fout was dat ze de bijbel méér wilden laten zeggen dan die wilde zeggen. Je mag het ook zo zeggen: ze wilden hen meer laten zeggen dan de Heilige Geest wilde zeggen.
In Jozua 10: 11, 13 staat dat de zon langer bleef schijnen dan normaal! Misschien wel 24 uur aaneen of nog langer. Maar dat werd uitgedrukt precies zoals wij dat nu ook zouden doen. Wij weten heel goed dat de aarde draait om haar as en dat het daardoor successief nacht en dag wordt, maar we zeggen 's morgens niet: de aarde heeft al weer de helft van haar dagelijkse draaiing om de zon gemaakt! Dat zou belachelijk zijn! We zeggen gewoon: de zon is al opgekomen. En 's avonds: de zon gaat onder.
Zó sprak ook Jozua. Hij sprak net als wij de "taal der aanschouwing". En de fout van de tegenstanders van Galileï was dat ze dat niet doorzagen en meenden dat met die "taal der aanschouwing" een "wetenschappelijke uitspraak" werd gedaan.
Hier was nu echt “verwetenschappelijking" van de theologie.
De toenmalige gangbare wetenschap, die van Ptolemeus - deze leerde namelijk dat de zon om de aarde draaide - had geheerst over de bijbel en zo ook over de theologie. En zo kwam die ellende.
In dit verband moet ik nog iets zeggen. Om het voorafgaande duidelijker te maken.
Calvijn spreekt vaak van de "scopus" van de bijbel of van een bijbelverhaal. Dat woord is moeilijk precies te vertalen. Het beste is misschien het aan te duiden met: richt- en doelpunt. Hij zegt b.v. dat de "scopus" van heel de Schrift is: Jezus Christus, uiteraard met diens ganse werk. 2) Zo moet men nu ook bij ieder bijbelverhaal vragen naar de "scopus". Om het populair te zeggen, vragen ,,waar het om gaat". Dát moeten we nu ook doen bij het zondvloedverhaal.
Waar gaat het nu bij de zondvloed om?
1e. Hierom dat het gehele menselijke geslacht zo goddeloos was dat God dat niet 'langer kon en wilde verdragen.
2e. dat daarom het oordeel van God over de gehele mensheid kwam door middel van een ontzaglijke watervloed waarin alle mensen ondergingen.
3e. dat God in zijn genade, om zijn heilsplan met de mensheid te verwerkelijken Noach en zijn gezin spaarde door hen in de ark te redden.
4e. dat In die ark ook allerlei gedierte werd opgenomen om dat te behouden.
5e. dat de HEERE een verbond met de mensheid sloot, bevestigd door het teken van de regenboog, dat Hij de mensenwereld nooit meer door zo'n vloed verdelgen zou.
Maar of die zondvloed over heel de aardbol ging staat niet in het verhaal - ook niet het tegendeel! Wie zegt: de vloed bedekte de hele aarde, gaat uit boven hetgeen geschreven staat. Maar wie beweert dat die beslist alleen maar een deel van de aarde bedekte, doet dat óók. De Schrift spreekt daar eenvoudig niet van.
En evenmin zegt de Schrift ook maar iets over eventuele gevolgen van die vloed op de formatie van de aardkorst, het ontstaan van zeeën enz. Daarover moeten de geologen maar studeren. En dat is een schone en boeiende wetenschap! 'Maar die is wat anders dan het verhaal dat de bijbel ons betrouwbaar geeft over die unieke zondvloed.
1) Wilhelmus à Brakel, Redelijke godsdienst, derde druk, Ir Rotterdam z.j., 226: "Dat deze (nl. de zon en de maan) en de sterren onbeweeglijk zouden staan, en de aarde draaien, is het versiersel van mensen, die 't hoofd te veel draait." Iets dergelijks leert Voetius, zie A. C. Duker, Voetius, Ir Leiden 1910, 31 v; 43, 152. Voetius keerde zich ook tegen de idee van een bloedsomloop in het lichaam!
2) Calvijn noemt Christus meermalen de scopus van het Oude Testament en tegelijk van de hele Heilige Schrift: In zijn voorrede op de franse Bijbelvertaling schrijft hij: "Vraagt men naar de samenvatting van het onderricht, dat wij daaruit (uit de H. Schrift) moeten ontvangen; dit is in één woord, dat wij door haar leren ons vertrouwen op God te stenen en in zijn vrees te wandelen. En dat des te meer door Jezus Christus het einde (fin, Hnss) der wet en der profeten en de hoofdinhoud (substance, substantia) van het Evangelie vormt, geen ander doel (hut. scopus) voor ogen hebben dan Hem te leren kennen, wetend dat men zdch niet, hoe weinig het ook zij, van Hem kan verwijderen zonder op een dwaalspoor te geraken."
(O.c. 9; 82) deze editie heeft de franse tekst, de latijnse vertaling vindt men in de editie Schippers 9, 244). Geheel in de lijn van Calvijn schrijft de in ons vorig artikel genoemde Schriftverklaarder dat de kwestie "universele" of "partiële" vloed niets af of toe doet aan "de bewegende oorzaak" van de vloed, namelijk 's mensen zonde", noch aan het "einde", het "doel" van de vloed namelijk de verdelging van alle mensen en dat men dus "door de ganschen hemel kan verstaan die deelen van denzelven, welke den bewoonden aardkloot overdekten."