Gods trouw tegenover de macht van de dood
1977-03-11
De auteur en zijn omstandigheden - Jaargang 21
- nummer 10
Psalm 103 is een bekende psalm!
Regelmatig keert een gedeelte van de magistrale inhoud van dit psalmdicht terug in de liturgie van de kerk op de avondmaalszondagen.
Voorts zijn we met deze psalm ergens vertrouwd geraakt vanwege het feit,dat ter gelegenheid van begrafenissen nog wel eens een enkel vers van psalm 103 wordt geciteerd of als uitgangspunt dient voor de toespraak in de rouwdienst. De kortstondigheid van het menselijk leven wordt er bloemrijk in geschilderd. Dat spreekt ons aan, dat kan ons ontroeren. Daarin vinden we de weerklank van wat ons op een dergelijk moment intens bezig houdt. Toch moeten we ook hier ervoor oppassen, dat we niet enkele zinsneden van dit gedicht van David uit het geheel lichten en er zo, geïsoleerd van het geheel. mee aan de haal gaan.
David blijkt in een dialoog gewikkeld te zijn met zichzelf. Dat tweegesprek heeft voor hem een hoogst individuele betekenis. Al onze direkte isgelijktekens jagen ons hier in het slop van een fatale uitleg! Want wij komen in onze situatie in doorsnee met die persoonlijke ervaring van David, zoals hij die in psalm 103 heeft verwoord, niet uit. Maar al mag David ervan getuigen, dat God hem van de dood heeft gered via genezing van ziekte, zodat hij aan een tweede jeugd kan beginnen (zie vers Sb), hij beseft des te sterker de betrekkelijkheid van het aardse leven van de mens.
De mens is onderworpen aan de macht van de dood. De dichter vergelijkt het mensenleven met het gras en een bloem van het veld. Dat is wat voor de reiziger in het Oosten! Als hij de steppe doorkruist staat op de heenweg in de meimaand alles te geuren en te bloeien. Een prachtig panorama!
Maar als hij na korte tijd weer terugkeert van zijn reis, kan het gebeuren, dat hij niets meer kan ontdekken 'van die verkwikkende natuurlijke schoonheid.
Dan is de hete woestijnwind erover gegaan en is alle lentepracht finaal verdwenen!
Men kan dan absoluut niet meer nagaan waar die prachtige bloemen hebben gestaan. Zo radikaal is het totaalbeeld veranderd! Dat is de vergelijking, die van toepassing wordt geacht op het leven van de mens.
Een beslissende wending
De mens is te karakteriseren als de sterveling. De dood woelt in hem van meetaf. We kunnen zijn jaren tellen, maar het gaat om dagen. Hij is een mens van de dag. Is het geen triest beeld en geen indroeve balans? Toch blijft David niet steken in deze illustratie, die ons konfronteert met de neergang /van het menselijk bestaan.
Er komt plotseling een verrassende wending in de psalm.
MAAR ... Het is alsof je je bevindt in een laan, die lijkt dood te lopen. Maar aan het eind van de laan gekomen, zie je plotseling een zijweg. MAAR - Het doet je denken aan de geweldige opklaring na een hevige onweersbui.
Maar de goedertierenheid des HEREN is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie Hem vrezen. U voelt, dat dit geen brallende hoogmoed verraadt en niets heeft uit te staan met een verwaten grootspraak. David is er klein onder geworden! Hij belijdt eigen onmacht. maar roemt Gods almacht!
Die goedertierenheid van God is Gods loyaliteit, Gods solidariteit.
Hij heeft die lotsverbondenheid met ons bezegeld via de dood van de Zoon van Zijn liefde, de volle Mens Jezus Christus. Het gaat om het Verbond, de verbintenis tussen God en mens. Het Verbond komt op uit de liefde.
Het genadeverbond komt eenzijdig op uit de liefde van God!
Die liefde is niet iets van een opwelling. Die liefde is kontinu van aard. Het woord, hier in de grondtekst voor goedertierenheid gebruikt, betekent eigenlijk: de liefde op de horizontale levenslijn, die met de beminde Verbondspartner meereist op diens weg door het leven. Het is te typeren als bijstand-met-de-daad!
De trouw, die God bewijst tegenover de macht van de dood, koepelt zich over de Zijnen.
Over wie Hem vrezen. Dat houdt niet in dat je de schrik in de benen moet krijgen zo vaak als je de Naam van God in alle eerbied hoort noemen. Dan wordt het een soort onweersgeloof! De vreze des HEREN betekent, dat je rekening houdt met God onder alle omstandigheden bevreesd God te vertoornen. Je wilt God niet op Zijn hart trappen. Daarom is er in dat verband bij alle rust een zekere ongerustheid in het leven van Gods kind. Calvijn noemde dat een vrome ongerustheid.
Verder wordt gesproken van Gods gerechtigheid over kindskinderen. Het begrip gerechtigheid is ergens verwant aan het woord goedertierenheid.
Gods gerechtigheid is de garantie van Zijn Verbond. God komt voor Zijn volk op.
Die gerechtigheid van God heeft haar belichaming gevonden in de beloofde Messias. Daarom draagt Hij in Jeremia 23 : 6 de Naam: De HERE onze gerechtigheid.
Hij doet recht aan alle verdrukten. Door Hèm krijgt de vergeving der zonden een apart aksent. Ze krijgt een aparte kleur, de rode kleur van het menselijke, adellijke bloed van de Zoon van Gods liefde. Die gerechtigheid stort zich in belofte uit over de hoofden van duizenden kinderen.
Maar dan zullen we ook Gods Verbond hebben te onderhouden.
We zullen aan Gods bevelen moeten denken om die metterdaad te doen.
Hoe denken wij aan God?
Aan God denken is geen zaak van een mysticistische instelling!
Aan God denken is denken aan Zijn bevelen, verbonden met Zijn beloften. Dat valt niet te vergelijken met een vluchtige notitie in uw zakagenda als noodzakelijk geheugensteuntje.
Het is een zaak van Uw hart.
We mogen niet uitsluitend praten over de beloften terwijl we ons op een slinkse manier aan de eisen van God onttrekken. Dan plegen we revolutie tegen Zijn genade. Want ook in Gods eisen komt Gods genade naar ons roe.
Door de vermaningen wordt ons de genade van God meegedeeld.
Dat belijden we met De Dordtse Leerregels, Hoofdstuk V, paragraaf 14.
Het gaat erom, dat we ons volkomen koncentreren op wat de levende God aan ons geeft en van ons vraagt. En we mogen dan vertrouwen, dat Hij metterdaad geeft wat Hij vraagt? Dat is het wonder van Zijn liefde. Dan buigen we niet voor de bevelen van de duivel en van bindende machten van de geest uit de afgrond.
Want èr zijn vele satanstronen in de huidige en moderne stad van de mens. We laten ons, als het goed is, door niemand iets aanleunen, zelfs door de antichrist niet. Maar wij schoppen in de kracht van Christus tegen al die satanstronen aan: tegen de troon van het traditionalisme, van de onfeilbare partij, van de algemene tijdgeest, de vrije sex, het nuchtere eigenbelang, de moderne rede, het blinkend kapitaal.
de stoere zelfhandhaving, het prestige en de status. Want we hebben alleen leren huigen voor de heilige troon van Jahweh.
"De HERE heeft zijn troon in de hemel gevestigd, zijn koningschap heerst over alles". Ja, zelfs over de macht van de dood. Zo groot is onze God in Zijn onwankelbare trouw! "Loof de HERE, mijn ziel."