Ter discussie
1977-03-11
Vragen stellen - Jaargang 21
- nummer 10
Zo'n anderhalf jaar geleden deed een kerkeraad ergens in Nederland een uitspraak. Die uitspraak betrof de verhouding tussen ambtsdrager en maatschappelijk werker. Daarmee bracht die kerkeraad een discussie op gang die, voor zover ik weet, nog niet ten einde is. Met "ten einde" bedoel ik óók, dat betrokkenen elkaar hebben gevonden in een gemeenschappelijk standpunt; Zover is het dus (nog?) niet. En dat zal, dacht ik, niemand verbazen: daarvoor ben je al te lang aan zulk soort situaties gewend geraakt.
De vraag is natuurlijk wel, of je je daarbij moet neerleggen. In sommige gevallen zou ik daarop antwoorden met "ja". Zeker als ik lees hoe Paulus aan de gemeente te Philippi schrijft: ... en indien gij op enig punt anders gezind zijt. God zal u ook dat openbaren .. : (3: 15). Waarmee voor mijn gevoel niet gezegd wil zijn.
dat zo'n openbaring te zijner tijd uit de hemel zou komen vallen.
Naarmate de gemeente zich intensiever bezig houdt met het evangelie, groeit de kennis en het inzicht en kunnen woorden die bekend leken een "openbaring" worden. Zo goed als dieper inzicht in de Schriften kan leiden tot een bijna vanzelfsprekend antwoord op (tot dusverre) onopgeloste problemen. In dat verband is het zinvol dat in onze tijd zoveel vrágen gesteld worden. Oók als het gaat om maatschappelijke, politieke, economische, dogmatische, exegetische en ethische problemen.
Vóór het antwoord
Het stellen van openhartige vragen (en ik denk daarbij zowel aan ouderen als aan jongeren) stempelt de vrager niet bij voorbaat tot iemand die zijn vertrouwen in de bijbel (laat staan de God van de bijbel) heeft opgezegd. Zinvol is wel dat de vrager zich bescheiden opstelt, al besef ik terdege dat jeugdig élan vaak tot een agressieve probleemstelling leidt. Raakt iemand daardoor geprikkeld, dan moet hij zich alleen maar temeer wachten voor een haastig en ondoordacht oordeel. Zelfbeheersing geldt ook als een vrucht van de Geest (Gal. 5: 22)!
Expres liet ik de mogelijkheid van een traditioneel antwoord nog even buiten beschouwing. Ook daarvan geldt niet zonder meer dat het goed of fout is. Traditie vormt een stuk erfgoed en roept, als het goed is, een stuk verleden, een brok geschiedenis wakker.
Het is gewoon jammer dat de belangstelling daarvoor tegenwoordig vaak minimaal is. Want juist in dat verleden zijn de "traditionele" meningen gevormd als resultaat van problemen die toen aan de orde waren. Te denken valt bijv. aan de Dordtse Leerregels.
Voor een eerlijke beoordeling daarvan is het van belang de achtergronden te kennen.
Daarbij komt ter sprake de al dan niet juiste probleemstelling, de taal (bijbelse en/of theologische) waarin het probleem onder woorden is gebracht en het toenmalige inzicht in de H. Schrift.
In zoverre is bijv. dus ook een belijdenis-stuk "tijdgebonden".
Het klakkeloos hanteren van een in formule gebracht antwoord van toen kan m.i. weinig verhelderend zijn voor een vraag van nu.
De daareven genoemde bepalende factoren kunnen op dit moment veranderd zijn. Wie daar niet op bedacht is, loopt het gevaar dat zijn antwoord een slag in de lucht is. Anders gezegd: wie "het traditionele antwoord" geeft, kon zelf wel eens vergeten, dat de tradiüe resultaat is van ontwikkeling èn dat die ontwikkeling sindsdien niet heeft stilgestaan.
Antwoord geven
Onlangs beluisterde ik (met veel genoegen) een spreker die op een gegeven ogenblik terechtkwam bij het ontstaan van de huidige staat Israël. Uiteraard kwam daarbij ook Rom. 9:11 ter sprake.
En de vraag in hoeverre Israël nu nóg een uitverkoren volk, Gods oogappel zou zijn. Zodat wie dit volk te na kwam meer dan zijn vingers zou branden. (Obadja vers 18). Hij voorkwam alle haastige en traditionele antwoorden door te zeggen: "de kerk (in haar algemeenheid) heeft dit probleem negentien eeuwen laten liggen. laten wij niet denken dat wij het in enkele tientallen jaren kunnen oplossen. Daar zullen wij eerst nog wel eens samen een poos over moeten nadenken."
Zo'n antwoord lijkt mij een wijs antwoord. Het is gespeend van de zo voor de hand liggende en toch wat hoogmoedige houding: dat probleem lossen wij zo wel even op, zo tussen neus en lippen.
Ik weet best dat ongeduldige vragenstellers haast hebben.
Evenzeer weet ik dat anderen niet schromen een haastig antwoord te geven: voor een man als Hal Lindsey liggen de antwoorden om zo te zeggen voor het oprapen, zowel in de bijbel als in de hedendaagse geschiedenis. Maar voor wijsheid is o.m. de factor tijd bepalend. David dichtte "Psalm 34" nïet op het moment dat "hij zich bij Abimelech als een waanzinnige gedroeg, zodat deze hem wegjoeg, en hij heenging."
Zijn lied was pas voldragen, werd eerst geboren toen hij (bij de tabernakel?) zijn genoten tot het offermaaI kon nodigen: "smaakt en ziet dat de HERE goed is; welzalig de man die bij Hem schuilt" (Ps. 34: 9). Hij had er de tijd voor genomen. Even zo goed als dat in Psalm 1 de “inleiding" op het psalmboek. is verwerkt: welzalig de man die ... aan des HEREN wet (thorah) zijn welgevallen heeft en diens wet (thorah = onderricht) overpeinst hij dag en bij nacht (Ps. 1 : 1. 2).
Niet voor niets vormt het boek der psalmen het begin van de wijsheidsboeken in de hebreeuwse bijbel. De psalmen vormen de neerslag van een langdurig en voortdurend bezig zijn met Gods thorah (onderricht). Zij zijn, evenals bijv. het boek Spreuken en Prediker, m.i. een illustratie bij het bovengenoemde citaat van Paulus (die óók een schriftgeleerde was!): ... God zal u ook dat openbaren. Leg daar Ps. 19 en 119 maar eens naast!
Ruimte gevraagd
Door een haastig - en dan ook nog bij voorbaat traditioneel - antwoord kun je een verdere discussie en een echt antwoord blokkeren.
Daaraan maken ook (maar zij niet alleen) theologen zich schuldig. De stelligheid (die met leer-stelligheid niets te maken heeft) waarmee sommigen hun ideeën lanceren. is soms verbijsterend.
Maar er is ook een tegenovergestelde situatie. En die is niet alleen denkbaar: zij is een even verbijsterende werkelijkheid.
Een theoloog kan toch immers ook vragenderwijs zijn mening formuleren, om zo anderen uit te nodigen met hem mee te denken over een antwoord? In vrijwel iedere vakwetenschap kan men praktisch ongehinderd discussiëren (zij het dat de beroepsjalouzie soms een hartig woordje meespreekt). Men beschikt immers over vaktijdschriften, waarvan zelfs het bestaan nauwelijks aan de leek bekend is. Maar theologen, zeker nederlandse, kennen die weelde niet. Zelfs als zij in een vaktijdschrift publiceren, zien zij geen kans hun mening buiten de persorganen te houden.
En omdat zij zich bezighouden met de bijbel. voelt iedere gelovige zich onmiddellijk daarbij betrokken en mengt zich in het gesprek. Het resultaat is. dat de betrokkene verheerlijkt of verguisd wordt. Maar de nodige afstand ..- ook in tijd ..- ontbreekt vaak. Het was nog vóór de laatste scheuring. dat een zeergeleerde op college opmerkte: daar en daar zouden we eens over moeten doorpraten en -schrijven, maar het kán helaas niet, je zit onmiddellijk in het verdachtenhoekje.
En dan heb ik het nog niet eens gehad over de communicatie-stoornissen, de kortsluitingen die een discussie bijna onmogelijk maken. En evenmin dat een naam, bijv. onder een artikel, voor de meeste mensen al voldoende is: dan weten zij het al wel. Niet voor niets begon ik met "een kerkeraad ergens in Nederland"...