Naastenliefde en eigenliefde

1977-03-11
  • Jaargang 21
  • nummer 10
Na de eerste wereldoorlog, toen Duitsland een hongersnood doormaakte, kwamen er veel Duitse meisjes over de grens, om in leven te blijven. Voor een (gezonde) appel en een (voedzaam) ei verhuurden ze zich als inwonend dienstmeisje. Uit mijn kinderjaren herinner ik ze mij. En een ervan, Johanna, heeft een onuitwisbare indruk op mij gemaakt.

Ze was geen blonde edelgermaanse - eerder het zigeunertype: tanige kleur, zwarte haren, donkere bliksemende ogen, klein, lenig en fel van leer en leven. Ze wist van aanpakken, had het hart op de goede plaats en was fanatiek religieus.

Ziedaar een onvolkomen portret, dat ik sinds mijn achtste jaar meedraag.
En de gebeurtenis, die aanleiding gaf tot bovenstaande titel, was als volgt.

Ze beleefde een periode van grote innerlijke spanningen. Dat bleek uit een stalenkaart van zingen en langdurig zwijgen, van gooien met de afwas, juichende pret en huilbuien. Maar vooral van eindeloos zwijgen.
Toen het probleem er uit getrokken werd, bleek het geen doodgewone verliefdheid (zoals u al vermoedde) maar een kwestie van hoger orde. Ze tobde zich af, of er in deze zondige wereld wel echte liefde bestond, die niet vermengd was met eigenliefde. Ze zag eigenlijk geen naastenliefde, of er zat een verborgen kern van eigenliefde in. Dat maakte haar wanhopig. Met al de vurigheid van haar jonge hart zocht ze naar ideale naastenliefde, geen erotiek, die zuiver en argeloos zou zijn. Ze vond die niet in haar denken, niet in haar omgeving, niet in haar hart. Dat maakte haar wanhopig. Met tal van voorbeelden toonde ze aan: dat we nooit eerlijk aan de ander denken wanneer we naastenliefde bedrijven, maar daar altijd zelf van profiteren.
U begrijpt dat dit een grotemensengesprek was - maar kleine potjes hebben ook oren!

Het was een van de eerste problemen, waarvoor ik als jochie gesteld werd. Want haar probleem werd mijn probleem. En u zou zoiets toch ook onthouden? En erover meedenken? En een oplossing zoeken? En ermee bezig blijven zo lang u er niet uit was? Want het is niet alleen het probleem van Johanna, maar ons aller probleem.

De man verzorgt zijn vrouw en kinderen. Uit liefde? Jazeker, maar hij geniet het meest van zijn welverzorgd gezin. De vrouw kookt, wast, strijkt, voedt de kinders op en vervult het moeilijkste beroep ter wereld met een glimlach. Uit liefde? Jazeker, maar Paulus zegt: ook om haar man te behagen. Oei, was slecht. De kinderen doen hun best op school. poetsen hun tanden, gedragen zich wellevend en kunnen door een ringetje gehaald worden. Uit liefde tot hun zorgzame ouders?
Jazeker - maar zelf profiteren ze van de harmonische sfeer thuis. De buren zijn vriendelijk, behulpzaam en attent. Uit naastenliefde? Jazeker - maar ze weten u meteen in te palmen; zo u doet zo u ontmoet.
En een klas zal - ik veronderstel maar tot het absurde - zich fatsoenlijk gedragen. Uit liefde tot de juf? Jazeker, maar ook om straks een vertelling los te kloppen.

Heel ons menselijk verkeer loopt op basis van het "do ut des”-principe: dat is het beginsel van "ik doe opdat gij doet". En de Heiland zegt daar van: als jij liefhebt wie jou liefhebben, wat voor prestatie is dat eigenlijk?

Inderdaad de naastenliefde is gewoonlijk de spiering, waarmee de kabeljauw van de eigenliefde wordt binnengehaald. De eigenliefde is de voedingsbodem, waarop naastenliefde wordt bedreven. Pijnlijk?
Kom, even flink zijn.
Want er zijn hoger prestaties dan die van do-ut-des, Je naaste vergeven bijvoorbeeld, hem kwijt schelden wat u op hem te verhalen hebt. Jawel. Maar dit vergeven - weet u nog? - is de basis, waarop wij zelf vergeving durven te vragen aan onze Vader, die in de hemelen is. Die goede daad komt dus op ons hoofd terug, in sterk verbeterde uitgave.

Dan zoeken we het nog wat hoger op. Vurige kolen op het hoofd van je vijand stapelen - is dát wat? Hem te eten en te drinken geven als hij honger heeft of dorst? Jawel. Wat die vurige kolen precies zijn weet niemand, maar het is toch een plezierig gevoel hem iets aan te doen, nietwaar? Nu, daar gaat het om. U hebt zich net iets hoger opgesteld dan uw vijand; uw eigenliefde komt niets te kort.

Nog hoger zoeken. Voor uw vijand bidden, die u geweld aandoet. Ai, dat is moeilijk. Hem zegenen, die u vervloekt. Hem voor Gods troon brengen, die u naar de hel verwenst. Zou dit dan zuivere naastenliefde zijn? En geeft het u géén voldoening, rechtvaardig te hebben gehandeld? Blijft er geen glimlach van 's Heeren genade op u rusten, die u zo hard begeert?
Het wordt nog moeilijker - en u kunt de rest beter wegleggen. Kijk maar in de kolom hieronder. Want niemand heeft zoveel naastenliefde, zegt de Schrift, als die zijn leven geeft voor zijn broeder. Nu zijn we toch wel op de hoogste sport van de ladder. De kansen zijn gelukkig zeldzaam. Maar u zult er vóór staan: je buurmans kind uit een brandend huis halen en er zelf bij ondergaan; je zuster beschermen tegen geweld en zelf een doodklap oplopen; een mens uit het water trachten te halen en er zelf bij verdrinken. Zou u het doen? Zonder te denken aan uw weduwe en aan een grafsteentje met een "welbesteed leven" er op? Geeft u het antwoord maar.

Johanna kwam er niet uit. U wel?
De verhouding van naastenliefde en eigenliefde is, dacht ik. een zaak van evenwicht in de gebrokenheid van ons aardse bestaan. Een verschuivend evenwicht als het goed is, maar een evenwicht van krachten.
Als wij onbekwaam zijn tot enig goed, dan komt dat in onze liefde het pijnlijkst tot uiting. En als wij geneigd zijn tot alle kwaad, dan is elke eigenliefde bij voorbaat gegarandeerd.

Maar dan zien we ook de uitkomst van het probleem in Christus Jezus.
Want naarmate we door het geloof in Hem tot nieuwe mensen worden wedergeboren, zal het evenwicht der krachten geleidelijk verplaatst worden. Onze eigenliefde wordt meer en meer onder de duim gehouden; dat zal onze naastenliefde zuiveren. En onze naastenliefde, bedreven als het ware uit ons zelf, zullen we langzamerhand gaan zien als vrucht van onze levensvernieuwing. Laten onze beste werken dan met zonde besmet zijn, om de Catechismus in ere te houden, dat moge ons niet verhinderen om vruchten van dankbaarheid voort te brengen. Vruchten, die passen bij onze fase van bekering en dankbaarheid.

En dan komt het hele probleem van Johanna, uw eigen probleem, heel anders te liggen. Als u uw naaste zult liefhebben als uzelf -- en dat is het wat de Heiland vraagt -- dan is een zekere mate van eigen.
liefde geoorloofd. Wát geoorloofd? Noodzakelijk! Want is de ene kracht tot nul gereduceerd, dan is ook de andere kracht nul. Trouwens: niemand zal zijn eigen vlees haten -- en dat is maar goed ook.
We vermijden het vuur en de gevaren; onze pijn zal ons wel op tijd waarschuwen. Want zouden we niet goed op ons zelf passen -- wie past er dan nog op de naaste? Zelfs de moeder, die zichzelf niet tijdig ontziet, ontneemt haar kind zijn beschermster.

Natuurlijk -- het kan ook een andere kant uitgaan. Wie niet wedergeboren is wordt langzamerhand een "liefhebber van zich zelf"; dat wordt immers van de mens der wetteloosheid gezegd. En die gaat onder aan eigenliefde! Maar voor ons, die het evangelie kennen, ligt daar een schone weg open.

Dat is me wat: die levensheiliging. Je eigen hart het zwijgen opleggen, als het om wraak roept. En verbaasd staan, wanneer die onreine bron levend water geeft. De knieën buigen voor die onmogelijke zuster om haar de voeten te wassen. Om straks verwonderd aan te horen: over weinig ben je getrouw geweest, over veel zal Ik je zetten. En dan is die hoge goedkeuring, hoewel gegarandeerd beschikbaar, nét niet verdiend. Die is dan nog genade ook.

Komaan, laat het probleem van Johanna u niet deren. Het is zaliger liefde te geven dan te ontvangen. Doet u het maar. En denk niet teveel aan wat u terugkrijgt. Dan is uw liefde de vervulling van Gods wet, die een wet ten leven is.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief