,,Geheel Israël zalig":

1983-08-26
  • Jaargang 27
  • nummer 31
We waren bezig enkele Schriftplaatsen aan te dragen waarin zowel van '(geheel) Israël' als van de 'rest' sprake is om zo wat wijzer te worden ten aanzien van het gebruik dat de apostel Paulus in Romeinen 11 van beide begrippen maakt. 'Rest' en 'geheel', zo zeiden we immers, kunnen bij hem niet zo maar tegenover elkaar worden gesteld alsof het om verschillende grootheden ging. We meenden bij de profeten op te merken dat beide begrippen er in een onderlinge verbondenheid toe dienen het Israël Gods te bepalen. Met het woord 'rest' is dan tweeërlei aangeduid: enerzijds dat Israël niet zonder kleerscheuren door de geschiedenis heenkomt, maar anderzijds dat de Here God met telkens zo'n overblijfsel, al is het ook nog zo klein, zijn bedoelingen met Israël geheel kan bereiken. Maar we waren nog niet klaar; er zijn nog een paar plaatsen te noemen.

3) Jeremia 31 : 7: "Want zo zegt de HERE: jubelt van vreugd over Jakob, juicht om het hoofd der volken, verkondigt, looft en zegt: Verlos, HERE, uw volk, het overblijfsel van Israël".
In onze gebruikelijke vertaling staat: ,,De HERE heeft zijn volk verlost, het overblijfsel van Israël", - zonder dat het hebreeuws tot deze weergave enige aanleiding biedt. Men heeft inderdaad al vroeg de tekst veranderd, De reden daartoe zal geweest zijn, dat men dat ernstige gebed om verlossing niet kon rijmen met 'jubelen', 'juichen' en 'loven' dat eraan voorafgaat (het 'verkondigt' kan beter weergegeven worden met 'doen horen'). Men kon zich niet voorstellen dat het gebed 'Red, HERE, uw volk' op feestelijke toon, ten gehore zou worden gebracht. Maar toch, als wij om verlossing bidden tot de God van de menigvuldige verlossingen, dan is de verhoring zo zeker dat wij de klank van dankbare triomf reeds in de smeking kunnen laten horen. Zo kende het latere Israël het smeekgebed 'Hosianna!', d.i. 'Red toch (HERE)!', - en die roep was niettemin een juichkreet! Dus vertalen we rustig wat er staat.
Op dit gebed om redding komt binnen het kader van de godsspraak van de verzen 7-9 een rechtstreeks antwoord van de Here God: "Zie Ik breng ... enz. (de verzen 8 en 9). Met 'rechtstreeks' bedoel ik: zonder inleidingsformuIe 'zo zegt de HERE' of iets dergelijks. In de verzen 10-14 komt er dan een tweede antwoord van de Here God op het gebed van vers 7, dat wel door een zodanig woord is ingeleid. Het loont de moeite deze twee goddelijke antwoorden, dat van de verzen 8 en 9 en dat van de verzen 10-14, met elkaar te vergelijken. Ze hebben veel van elkaar weg. Beide zijn te typeren als een belofte voor Israël van (her)verzameling uit de volken. Toch is er ook verschil tussen de twee woorden. Om in muziek-termen te zeggen: het eerste is in mineur gesteld, het tweede in majeur. In het eerste staat: "Onder geween zullen zij komen ... (vs 9), en in het tweede: "Zo komen zij jubelend ...". En daarmee stemt een ander verschil overeen.
In de eerste godsspraak namelijk heeft het terugkerende Israël iets schamels: blinden, lammen, zwangeren, barenden .. (vs 8). Geen wonder dat onder hen de vreugde niet woont. Je kunt hierbij ter vergelijking denken aan het woord in Zefanja 3 : 12: "En Ik zal in uw midden doen overblijven een ellendig en gering volk en wie schuilen bij de naam des HEREN" - alwaar het begrip 'overblijfsel' of 'rest' niet als een getalsmatige geringheid wordt uitgelegd maar als een poverte in levenskwaliteit vanwaaruit men bescherming zoekt bij de naam van de Here God. Wel vaker trouwens is de 'rest'-gedachte verbonden aan dergelijke schamelheidsvoorstellingen, Het ligt derhalve voor de hand om de eerste godsspraak, die van Jeremia 31 : 8 en 9 dus, te beschouwen als vooral ingaande op dat deel van het gebed dat om de verlossing van het overblijfsel van Israël vroeg, terwijl het in de tweede godsspraak, die van de verzen 10-14, meer gaat om de verlossing van een voller, blozender, heler Israël.
Maar hoe komt nu het Israël van de tweede godsspraak er plotseling zo florissant uit te zien? Gaat het wel om hetzelfde volk als dat van zoeven? Ja en nee. Het gaat in de tweede godsspraak om de 'rest' zoals die door God tot volheid en heelheid gebracht is. Hoe heeft de Here God dat dan gedaan? Door de kinderzegen op te voeren? Nee, door een andere werkwijze te volgen. Die andere werkwijze van Gold ligt in deze tekst slechts verscholen aangeduid, maar kan toch worden opgemerkt. God vult de 'rest' van zijn volk aan met geroepenen uit de volken en komt zó tot het Israël van zijn bedoelingen. Vandaar dat vers 10 begint met de woorden: ,,Hoort het woord des HEREN, o volken, verkondigd het in verre kustlanden en zegt ...". Die volken namelijk spelen in de herverzameling van Israël een aktieve rol; ze komen met Israël mee naar Sion! Vandaar ook dat in Jesaja 11 : 12 staat: "En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einden der aarde".
Daarom ook is er zo'n opvallende gelijkenis tussen het begin van Jeremia 31 : 12: ,,Zo komen zij jubelend op de hoogte van Sion en stromen toe naar het goede des HEREN ... ", en Jesaja 2 : 2: "En alle volken zullen derwaarts (naar Sion) heenstromen en vele naties zullen optrekken en zeggen ... ", terwijl het in het ene geval om Israël en in het andere om niet-Israël gaat. Die twee kategorieën schuiven in elkaar tot het Israël Gods, In vage kontouren wordt hier reeds de gemeente van Christus zichtbaar zoals we die in het Nieuwe Testament tegenkomen: de rest van Israël plus de geroepenen uit de volken. Maar voorzichtig, het blijft in deze tekst nog slechts bij wat vage aanduidingen. En zijn duidelijker getuigenissen aan te voeren. Daarom zullen we verderop hier nog breder en dieper op ingaan.

4) Jesaja 46: 3 en 4: ,,Hoort naar Mij, huis van Jakob en geheel het overblijfsel van het huis Israël, die door Mij gedragen zijt van moeders lijf aan, opgenomen van de moederschoot af. Tot de ouderdom toe ben Ik dezelfde en tot de grijsheid toe zal Ik u torsen; Ik heb het gedaan en Ik zal dragen, Ik zal torsen en redden", Het eigene van deze Schriftplaats waarin opnieuw Israël en de 'rest' broederlijk naast elkaar voorkomen, is dat het volk zijn hele geschiedenis door te maken heeft met het 'rest' –gegeven. Het is weliswaar vooral rondom de babyloninische ballingschap dat de profeten met het begrip 'overblijfsel' werken. En dat ligt ook voor de hand, want dat was de tijd dat het volk door het gericht sterk uitgedund werd. Maar de profeet van het Troostboek die op zo'n hoog punt gesteld werd dat hij héél Israëls geschiedenis naar achteren en naar voren toe mocht overzien, spreekt het Israël van het verleden en het Israël van de toekomst aan als 'geheel het overblijfsel van het huis Israëls'. Betekent dit dat het begrip 'rest' niet langer in verband gebracht behoeft te worden met rampen en calamiteiten en dat het woord dus een overdrachtelijke betekenis begint te krijgen? Gedeeltelijk.
Want eerlijk gezegd: 't volk Israël is, inderdaad zijn gehele historie door met het zwaard achterna gezeten, al was natuurlijk de periode rond de ballingschap een waar dieptepunt. In Jeremia 31 : 2 staat een woord dat aansluiting geeft op de tekst die ons nu bezig houdt: ,,Het volk der ontkomenen aan het zwaard vond genade in de woestijn, Israël op weg naar zijn rust".
Het dubbelzinnige van dit woord is dat je bij 'woestijn' aan tweeërlei mag denken - zoals dat ook in Ezechiël 20 : 35 en 36 het geval is.
Enerzijds is het de 'woestijn van het land Egypte' aan het begin van Israëls geschiedenis en anderzijds is het de 'woestijn der volken' in de periode die de profeet als het einde van zijn volk beleefde. Zo lag Israëls geschiedenis, die hier getypeerd wordt als een op weg zijn van Israël naar zijn rust, ingeklemd tussen twee gevaarlijke woestijnen en dat stempelde zijn hele historie als een achterna gezeten worden door de volken. Vandaar de all-in typering van Israël: 'volk van aan het zwaard ontkomenen'. En dat betekent 'rest'-volk. Maar evenzeer gold voor de duur van heel de geschiedenis van dit restanten-volk, dat het genade vond bij God in de woestijn. Als echter - en nu trekken we een behoorlijk forse konklusie - Israël voor wat betreft zijn verleden èn heden èn toekomst door de profeet aangesproken kan worden als 'overblijfsel', dan lijkt het niet raadzaam zijn geschiedenis in drieën te verdelen: eerst de periode van het Oude Testament waarin (ten naasten bij) geheel Israël zalig werd, dan de tijd van het Nieuwe Testament en de kerkgeschiedenis waarin slechts een rest van Israël behouden wordt en tenslotte een eindfase van de geschiedenis waarin weer (en nu nog voller) het geheel van Israël de zaligheid binnengaat. Dan moeten we veeleer zeggen dat dat 'rest'-karakter van Israël tot aan het einde der dagen aktueel blijft.

Verdieping
Maar nu moeten we inderdaad nodig een verdieping aanbrengen naar de meer geestelijke betekenis van het woord, zoals ik al aangaf.
Want de indruk zou kunnen ontstaan dat binnen Israël de 'rest' het resultaat was van het feit dat het volk telkens weer opnieuw in oorlog kwam met zijn vijanden.
Dat dus het kortwiekende zwaard van buiten af zorgde voor een overblijfsel. Maar zo werkte dat niet. Wel valt aannemelijk te maken dat dit misverstand reeds zeer oud is en Israël zelf al parten heeft gespeeld. Er zijn immers signalen van dat Israël met het rest-begrip inderdaad romantiek bedreven heeft. Dat is met name het geval geweest bij het geslacht dat het laatst in Jeruzalem was overgeschoten alvorens de stad door Nebukadnezar werd verwoest. Diverse rampen had Israël ondergaan: de scheiding van het rijk onder Rehabeam, de wegvoering van het tien-stammen-rijk, de bedreiging door Sanherib en de eerste wegvoering van de Judeeërs onder Jojachin. Steeds hadden de Judeeërs en met name de Jeruzalemmers onder hen zichzelf als 'rest' verstaan. In toenemende mate, zoals uit de teksten valt op te maken. Maar niet steeds ging daar een besef van ootmoed mee gepaard. Een woord als in 2 Koningen 21 : 14 had dit kunnen teweeg brengen. De Here God zegt daar: ,,Ik ga het overblijfsel van mijn erfdeel verwerpen..." en daaruit blijkt dus dat zijn gericht voor het woord 'rest' geen halt houdt.
Maar in plaats van ootmoed heeft onder de laatst overgeblevenen in Jeruzalem de stemming geheerst van 'hoe kleiner hoe fijner!' (Ezechiël 11 : 3, 15; 33 : 24). Dat is de romantiek van het kleine getal: elke ramp maakt de overblijvenden zuiverder. Maar de profeten zijn daar bepaald niet gerust op geweest. Bij hen vinden we het beeld van het smelten, maar èn Jeremia èn Ezechiël zijn het er beiden over eens dat het smeltingsproces geen resultaten oplevert (Jeremia 6 : 27-30 en Ezechiël 22 : 17-22). En het is waar: lijden loutert met zomaar. Nood leert bidden maar nood leert helaas ook vloeken. Toch moet het zelfs voor die profeten moeilijk geweest zijn zich van die romantiek los te maken.
Zo horen we Ezechiël zeggen (en hij heeft het dan over de laatst overgeblevenen in de hoofdstad): ,,Ach, HERE, wilt Gij soms een einde maken aan het overblijfsel van Israël?" (11 : 13). En het moet voor de profeet Jeremia en zijn omgeving bepaald schokkend zijn geweest toen hij in het visioen van de twee korven vijgen (hfst. 24) te zien kreeg dat het niet 'het overblijfsel van Jeruzalem' zou zijn dat het nieuwe Godsvolk zou vormen (vers 7 en 8) maar de naar het land der Chaldeeën weggevoerden (vers. 5 en 6): ,,Ik zal mijn oog op hen slaan ten goede". sprak de Here God. Waren die van Babel dan wèl goed? Het mag ons niet ontgaan dat de profeet verkiezingsterminologie gebruikt: aanzien ten goede. Dat God hen aanzag ten goede betekent dat Hij ze goed keek. Als je er goed over nadenkt is het inderdaad uiterst vreemd geweest dat de weg naar de toekomst in die dagen vooral over de naar Babel afgevoerden gelopen heeft. Het is goed te begrijpen dat er aan dat geschiedenisbeeld van de bijbel tot in onze tijd toe gemorreld is. Maar we staan hier voor een van de oordelen van de verkiezende God - waarbij zich trouwens iedere Israëliet, hetzij in Jeruzalem of Babel, mocht aansluiten. Immers, ,,vrede, vrede, voor hem die verre en voor hem die nabij is, zegt de HERE" (Jesaja 57 : 19). Maar zoveel is zeker dat als de rest-gedachte niet voortdurend verbonden wordt aan de goddelijke vrije verkiezing, met andere woorden: aan het besef dat het Gód is die doet overblijven, kan ze de stof leveren voor een zeer verfijnde hoogmoed. Het is daarom geen overbodigheid dat Paulus spreekt van 'het overblijfsel naar de genadige verkiezing' (Romeinen 11 : 4). Die toevoeging van 'de verkiezing der genade' moet er wel bij.
Het zijn dus met zozeer de katastrofes geweest die in Israël hebben gezorgd voor een geestelijke rest. God kon die wel als middel hanteren en dat heeft Hij ook gedaan. Maar ver daarbovenuit gebruikte Hij daarvoor zijn woord dat Hij van meet aan onderscheidenlijk heeft laten verkondigen onder zijn volk, ongeacht of de tijden goed waren dan wel boos. Want het woord, dat is bij uitstek verkiezingsinstrument, waarmee Hij zich Zijn Israël vormt. Daarover de volgende keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief