Vragen rond "het ambt"
1977-03-18
Aard en grenzen- Jaargang 21
- nummer 11
Toch kom ik nog eens terug op die kerkeraadsuïtspraak inzake de verhouding ambtsdrager-maatschappelijk werker. Punt van discussie werd o.m. "dat de taak van de ouderling, van de leden van de gemeente èn van eventueel in te schakelen maatschappelijke werkers vraagt de unieke band tussen ambtsdragers en gemeente volledig te honoreren, met dien verstande dat eventueel in te schakelen maatschappelijke werkers geen werk verrichten aan en voor leden van de gemeente buiten de door de Heere gegeven, over de gemeente gestelde ambtsdragers om.
Het is niet mijn bedoeling de hele discussie weer te geven. Wel zou ik een paar kanttekeningen en vragen willen stellen. Ook en vooral ter eigen overweging.
Het is duidelijk dat in bovengenoemde uitspraak aard en grenzen van het ambt in geding worden gebracht. Weliswaar wil niemand de term “ambtshoogmoed"
in stelling brengen, maar de "ambtshoogheid" speelt dacht ik wel degelijk een rol: je mag “het ambt" niet zomaar passeren.
Nu heeft het begrip "ambt" al in heel wat kerkelijke zaken een belangrijke rol gespeeld. Soms kreeg het bijna de bijsmaak van een donurn superadditum, d.w.z.: het maakte de drager tot iemand van een hogere, geestelijke orde en verleende hem een gezag (om niet te zeggen macht) dat bijna niet meer van deze wereld was.
Juist daarom herhaal ik nog eens wat ik al eens eerder schreef, dat mijn plaatselijke Christelijke Gereformeerde collega bij voorkeur spreekt van bijzondere diensten in de gemeente. Trouwens ook de oude Kerkenordenlng rubriceert de artikelen 2 t/m. 28 onder het hoofdstuk "Van de diensten".
In navolging natuurlijk van arklinkt heel erg definitief (het lei: der Dienaren (!) des Woords, der Doctoren, der Ouderlingen en der Diakenen". Zelf geef ik aan het woord dienst de voorkeur. Allereerst omdat het beschermt tegen overschatting van de toevertrouwde taak èn van de drager ervan. In de tweede plaats omdat het woord ambt (in bovengenoemde zin) in de bijbel niet wordt gebezigd, het woord dienst daarentegen wel.
... blijvende wel onderscheiden ...
Van overlang is ons bijgebracht dat de ene dienst niet hoger mag worden aangeslagen dan de andere (de praktijk m.n. inzake de verhouding ouderling-diaken was wel eens anders). Anderzijds diende men deze diensten wel te onderscheiden: de ene dienst is de andere niet.
Alweer "in de praktijk" blijkt dit laatste vaak moeilijk. De tijd dat hun taak bestond in “het bedienen der tafelen" en dat mannen (!) verkozen werden “die eigenlijk hun werk van de bediening der armen zouden maken" is voor wat ons land betreft merendeels voorbij. De veranderde maatschappelijke omstandigheden hebben er bij ons toe geleid dat het pakket van diensten in de sector hulpverlening aanzienlijk is veranderd en uitgebreid. De taken van diaken, ouderling en predikant hebben zoveel raakvlakken gekregen, dat het niet te verbazen is wanneer de oude gewoonte van “breed" en “smal" vergaderen van de kerkeraad in onbruik raakt.
Daar komt trouwens nog iets bij.
Uit eigen ervaring weet ik dat je als predikant steeds meer werk krijgt dat elders door maatschappelijke werkers wordt verricht. En dat geldt echt niet alleen de predikanten, hoewel er in de gemeente vaak wel een voorkeur in die richting bestaat. Dat betekent een heel grote belasting voor de betrokkenen, nog daargelaten de vraag of zij deskundig genoeg zijn de hun voorgelegde problemen op te lossen: een belasting apart!
Vragenderwijs
Je zou natuurlijk kunnen volstaan met verwijzing naar een (deskundige) maatschappelijke werker - overigens: naar welke?
Of, als dat mogelijk was, er een paar in de kerkeraad benoemen - maar: waar haal je ze vandaan?
En: zouden ze dan als diakenen of als ouderlingen benoemd moeten worden? Nog daargelaten de vraag of de gemeenteleden ingenomen zouden zijn met de gekozenen ... : je moet elkaar nog liggen ook!
Daarom wil ik nog eens terugkomen op dat "blijvende nochtans die ambten altijd onderscheiden", een uitdrukking uit het oude bevestigingsformulier voor ouderlingen (en diakenen). Dat artikel 2: "De diensten zijn vierdergaat daar om het kennelijk niet klein verschil tussen ouderlingen en dienaren des Woords).
Wat ik hierover wil opmerken is vragenderwijs bedoeld. Gegeven is, dat de diensten in de gemeente heel wat raakvlakken hebben.
Gegeven is ook dat diakenen niet zelf alle werk dat zij tegenkomen zelf moeten doen, maar dat zij heel de gemeente dienen te activeren zodat de grote verscheidenheid aan gaven tot dienst aan de hulp-behoevenden aangewend kunnen worden. Gegeven is eveneens dat diakenen nu eens wel dan weer niet tot de kerkeraad gerekend worden. En eveneens gegeven is dat een Christelijke Gereformeerde Synode destijds bepaalde, dat de kerken bij toerbeurt een diaken naar de classisvergadering zullen afvaardigen, zodat er geen kloof zou ontstaan tussen het ene en het andere deel der diensten. Gegeven dat alles rijst voor mij de (ik geef toe: riskante) vraag hoe sterk je staat als je stelt: "blijvende nochtans die ambten altijd onderscheiden. "
Ik weet natuurlijk best, dat die stelling berust op een aantal Nieuwtestamentische gegevens.
Maar ik blijf opnieuw zitten met een vraag. De regelingen voor de orde in de gemeente, die laten we zeggen door de apostelen zijn ge troffen, zijn die per definitie onveranderlijk?
Of zijn ze - ik weet hoe riskant de vraag alléén al klinkt - misschien ook "tijdgebonden"?
We spreken graag over het “laatste der dagen", het "einde der eeuwen", het laatste tijdvak dat déze wereldgeschiedenis kent.
Mijn eigenlijke vraag luidt: kent die Nieuwtestamentische (nog voortdurende) periode geen ontwikkeling?
Is het een periode van stilstand? Zijn de door de apostelen gegeven regelingen onveranderlijk?
Hebben wij in de nieuwe verbondsbedeling opnieuw een aantal "wetten" mee, en opgelegd gekregen, zoals Israël die kreeg in het oude verbond op de Sinaï? In hoeverre is het nieuwe Jeruzalem "vrij" ( Gal. 4: 26) ?
In hoeverre zijn wij "zonen", "vrijen" (4:28-31)? Mag een ouderling "desnoods" het avondmaal bedienen? En de doop? En een preek maken? Het zijn nog maar enkele voorbeelden.
Maar er zit nog wel een andere vraag aan vast. Waarbij ik er overigens zonder meer van uitga dat elke gemeenschap een bepaalde vorm van organisatie nodig heeft. Maar als met het Pinksterfeest van Hand. 2 een proces op gang gekomen is ( de wederherstelling aller dingen)" in hoeverre werkt dat dan door? Bijv. als het gaat om slavernij en dus ook de verhouding van werkqever-werknemer? Of als het gaat om de positie van de vrouw - al dan niet in een bijzondere dienst?
Of als de mondigheid der gemeente ter sprake komt? Ik weet, dat heel wat zaken en termen door "de buitenwacht" geannexeerd zijn. Dat neemt de rechtmatigheid van een eigen christelijke probleemstelling niet weg. o ja, die ongenoemde kerkeraad was de "binnenverhandse" kerkeraad van Zwolle. En een van de deelnemers aan de discussie, prof. dr J. Douma, schreef o.m.: "Hoe mondiger de gemeente, hoe begrensder de taak van haar ambtsdragers. "