JEREMIA
1977-03-18
JEREMIA 11 : 1-14 Polarisatie- Jaargang 21
- nummer 11
Als de weigering om te luisteren naar Gods Woord harder en onverzettelijker wordt, verdiept zich de kloof tussen de HERE en zijn volk Dan treedt er polarisatie op.
Tot nu toe kwamen we meer dan eens de gedachte bij de HERE tegen: komen ze nog tot inkeer. Wat zou het fijn zijn, als Israël zich bekeerde. Maar doordat Israël zich blijft verharden, komt er in Jeremia's prediking langzamerhand een accentverschuiving. Het accent komt nu meer te liggen op de weigering zich te bekeren en op de verdergaande verhardingen daarmee op de onafwendbaarheid van het oordeel. En daarom zegt de HERE tot Jeremia: Bid niet meer ten behoeve van dit volk.
Bid niet meer om afwending van het oordeel. Want Ik luister niet naar dat gebed. En als het oordeel is losgebarsten en het volk in zijn nood tot Mij roept, luister ik ook niet. Dan moeten ze hun steun ook maar zoeken bij hun afgoden. Dat is de lijn die je in de nu komende profetieën kunt ontdekken.
De situatie verscherpt zich.
Verbond
Hoofdstuk 11 geeft eerst een karakterisering van de houding van Israël tegenover Jahweh door de eeuwen heen. Het begint met een herinnering aan de sluiting van Gods verbond met Israël en aan het sleutelwoord dat bij die verbondssluiting aan de orde is. De HERE zinspeelt in de verzen 1-4 op Deut. 27. Toen Israël vlak voor de grenzen van Kanaän stond, gaf Mozes aan Jozua de opdracht, dat hij na de intocht de vloek en de zegen van het verbond aan het volk moest voorhouden: de zegen vanaf de berg Gerizim, de vloek vanaf de Ebal. Mozes somt dan in Deut. 27 een hele reeks vervloekingen op. Op elk daarvan moest het volk "Amen" antwoorden. En al die vervloekingen worden samengevat in de woorden: Vervloekt is hij die de woorden van deze wet niet metterdaad vol brengt (Deut. 27: 26). Daarop grijpt de HERE terug in Jer. 11 : 3: Vervloekt zij de man die niet hoort naar de woorden van dit verbond.
Het is belangrijk deze woorden eens nauwkeurig te vergelijken met de formulering van Mozes.
Mozes spreekt over de "woorden van deze wet", terwijl Jeremia zegt: "de woorden van dit verbond".
Dat is geen regenstelling. Wet en verbond staan niet tegenover elkaar.
Dat wordt nogal eens gedacht.
Bij wet denke men dan aan een soort politieverordening, een reglement. Maar dat is niet juist.
Gods wet staat niet tegenover zijn verbond, maar is dat verbond.
Gods wet is zijn verbondsstatuut, de leefregel voor de omgang met de HERE. De wet van God draagt het karakter van verbond.
Blijk van genade
Als Gods wet het karakter draagt van verbondsstatuut, sluit dat elke mogelijkheid om door wetsvervulling iets te verdienen bij voorbaat uit. De genade van God komt niet binnen het bereik van de mens door middel van zijn wetsvervulling, maar is al vooronderstelling van de wet. De wet regelt de offergang van de mens met God binnen het kader van Gods genade.
Het is niet zo, dat Israël in de weg van de weesvervulling moest proberen binnen de sfeer van Gods genade te komen, maar het is juist omgekeerd. In zijn genade geeft God aan Israël de mogelijkheid om in gemeenschap met Hem te leven. In dat kader geeft Hij dan zijn wet om duidelijk te maken op welke wijze het volk in die genadegemeenschap kan blijven leven. De genade van God vloeit niet voort uit Israëls wetsvervulling, maar de wet vloeit voort uit Gods genade.
Dat is een heel wezenlijk. punt.
En er bestaat op dit punt een volledige overeenstemming tussen het Oude en Nieuwe Testament. Het contact en de gemeenschap met God bloeit altijd op uit Gods genade en draagt dan het karakter van een verbond. Zo is het ook vandaag nog. Onze verhouding tot God is gebaseerd op Gods genade die in Christus naar ons toegekomen is. En die genade draagt ook nu het karakter van een verbond.
Niet voor niets wordt Christus, de Knecht van Jahweh, in Jesaja 42: 6 "een verbond voor het volk" genoemd.
Met andere woorden: Christus vervult voor ons de rol die de wet voor Israël had. In die zin is Christus het einde der wet. Hij is in plaats van de oude wet gekomen.
Hij is nu onze wet. Wij kunnen alleen maar in de genadegemeenschap met God blijven, als we ons oriënteren op Hem, zoals Israël dat alleen maar kon door zich te oriënteren op de wet van God.