"Het ambt der doctoren”

1977-03-25
  • Jaargang 21
  • nummer 12
Artikel 2 van de D.K.O.

Het “hutspotje" in het artikel van vorige week (Vragen rond "het ambt") maakte het lezen van artikel 2 van de oude Kerkenordening tot een legpuzzel. Voor de duidelijkheid daarom nog eens de tekst: De diensten zijn vierderlei: der Dienaren des Woords, der Docenten, der Ouderlingen en der Diakenen.
Dat "vierderlei" in deze officiële tekst heeft bij mij altijd verbazing gewekt. Hoewel niemand meer dan drie "buitengewone ambten" kende en erkende, bleef de tekst altijd onveranderd gehandhaafd.
Er is soms bij officiële teksten blijkbaar meer speling mogelijk dan je had gedacht. Ds Joh. Jansen kan dan ook in zijn bekende "Korte verklaring van de kerkenordening" rustig en ongemoeid verklaren: "Volgens de Schrift heeft Christus slechts drie ambten ingesteld."
Uitgaande van die onder ons bijna canonieke stelling, weten we allemaal. dat het probleem schuilt in de exegese van Ef. 4 :11. Zowel in de tekst zelf als bij de samenhang (citeren van Ps. 68) stuiten we op moeilijkheden. Voldoende in dit verband is echter het zinsdeel “herders en leraars".
De huidige gangbare mening is, dat herder en leraar in één persoon vertegenwoordigd zijn: de dienaar des Woords. Calvijn ziet er echter verschil tussen: "Men kan de herders wel doctoren noemen, maar de leraars zijn toch een ander soort van doetoren.
Beiden hebben dit gemeen, dat zij het Woord Gods moeten uitleggen. Bieden bedienen een gewoon ambt in de kerk. Maar met dit verschil, dat aan dè herders de zorg voor een bepaalde kudde is opgedragen d.i. dat zij aan een bepaalde gemeente verbonden zijn, om het Woord en de Sacramenten te bedienen en de tucht te oefenen, terwijl de taak der doctoren bestaat in de opleiding der aanstaande dienaren en in de onderwijzing van de gehele kerk; in een plaatselijke kerk mogen zij niet het Woord en de Sacramenten bedienen, zonder eerst beroepen te zijn. Zij hebben een ambt voor heel de kerk" (naar Joh. Janse, a.w.).

Calvijn en de Gereformeerde Kerken

We vervolgen het citaat nog even: "Bij de toepassing van het doctorenambt in de praktijk heeft Calvijn echter helt kerkelijk karakter spoedig losgelaten. Dit blijkt uit zijn Ordonnances Ecclesiastiques van 1541 (de K.O. voor de kerk van Genève) waarin hij zegt dat het 'tot de Schoolorde behoorde, en waaronder hij ook de leraren van het voorbereidend onderwijs samenvatte."
Calvijn was classicus genoeg om te weten dat het griekse woord voor leraar, onderwijzer (didaskales) thuis kon horen in de gewone kring van de onderwijswereld ( eis didaskaloon: naar school ), maar dat het in het grieks uit de tijd van het Nieuwe Testament ook de weergave kon zijn van rabbi. En komt bij dat laatste ook niet de onscherpe grens van het rabbi-zijn als "ambtelijke" positie aan het daglicht?
Welk “kerkelijk" gezag had een rabbi? Was zijn positie ook niet min of meer tweeledig?
En hing die niet samen met zijn afkomst - al dan niet uit priesterkringen?
Een scherpe aftekening is nauwelijks te geven. Op zijn best viel zijn taak óók al te omschrijven met "dienst" [diakonia, lei'tourgia) , al valt er in de evangeliën weinig te bespeuren van een "diaconale" instelling der toenmalige rabbi's ... De grens die zij hooghartig trokken was die tussen henzelf en "de schare die de wet niet kent": aan een handvol discipelen hadden zij genoeg.
Hun kennis was niet bedoeld voor heel de gemeente, maar exclusief voor een kleine groep uitverkorenen, voor een elitair groepje.
Juist dát was het laatste dat Calvijn, in contrast met de R.K. Kerk van zijn dagen, beoogde.

Vermenigvuldiging van wijsheid

Jansen vervolgt: "Opmerkelijk, dat de Gereformeerde Kerken aanvankelijk de beschouwing van Calvijn volgden en, evenals Calvijn, er in de praktijk toe kwamen, het kerkelijk karakter van het doctorenambt los te laten ... De kerken zijn ... wel begonnen met de erkenning van het doctorenambt als een kerkelijk ambt, maar hebben het in de praktijk met de Professoren in de Theologie vereenzelvigd."
De synode van Middelburg (1518) noemde als taak van de doctoren: het ambt der doctoren in de theologie is de H. Schrift uit te leggen en de zuivere leer tegen de ketterijen en dwalingen voor te staan. In feite dus wat wij onder de taak van een professor in de theologie verstaan.
Nu laat ik verder de exegetische en andersoortige problemen rond de onder ons bekende drie diensten voor wat ze zijn, al wil ik wel nog even wijzen op de opmerking van ds H. Meulink en ds I. de Wolff in hun "Korte verklaring der Kerkenordening".
Na het drieërlei "bijzondere ambt" genoemd te hebben schrijft ds De Wolff: "Maar dan nemen we als gereformeerden ook hier een eenzaam standpunt in." Een opmerking die het overdenken waard is.
Wel wil ik er eens de aandacht op vestigen, dat binnen onze (kleine) kerkelijke kring slechts twee (emeritli) professoren te vinden zijn. Buiten deze om zijn er dan op dit ogenblik ook nog twee doctorandi in de theologie, als ik goed heb geteld. Dat brengt mij tot twee opmerkingen.
De eerste is een herinnering aan wat Calvijn niet zonder wijsheid en inzicht neerschreef, nI. dat doctoren "een ambt hebben voor heel de kerk." Het moet èn de kerken èn mensen die verder willen studeren duidelijk zijn, dat het niet gaat om een particuliere hobby, een enigszins vreemde, zij het te tolereren afwijking.
Mensen die terdege onderlegd zijn in de theologie kunnen de kerken van onschatbare dienst zijn. Dat hebben we ervaren en dat mag ook best eens hardop gezegd worden, zelfs al zouden er ook voorbeelden van het tegendeel aan te wijzen zijn. Maar in welk "vak", in welke wetenschap is dat niet het geval? De kerken hebben behoefte aan Schriftgeleerden, zeker nu men in de theologie zoveel uiteenlopende wegen inslaat en de kerkleden praktisch afhankelijk zijn van de nogal eenzijdige publicaties in de dagbladen.
De tweede opmerking is met name gericht aan de kerken. Zij verwachten, gegeven ons gereformeerd patroon, dat hun dienaren des Woords zowel herders als leraars zijn. Voorzover ik kan beoordelen zijn de meesten van hen in deze tijd zo overbelast met hun herderschap. dat er voor studie, zeker buiten het preken maken om, nauwelijks of helemaal geen tijd voor studie of zelfs voor bijscholing overblijft.
In sommige kerken, zowel in het buiten- als binnenland, kent men de instelling van een zgn. Sabbathsjaar.
om de zoveel jaar een periode waarin de dienaar des Woords vrijgesteld wordt van zijn herderlijke arbeid. Met het doel dat de man eens wat kan bijkomen èn de gelegenheid krijgt zich bezig te houden met studie.
Dat houdt geen wettische instelling uit het O.T. (sabbatsjaar) in. Maar het ligt wèl in de lijn van Paulus' hantering van "de wet en de profeten", als hij nl. de dorsende os voor ogen houdt om aan te tonen dat de arbeider zijn loon waardig is." Zo'n wijs Schriftgebruik zullen de kerken beloond zien met nog meer wijsheid.
En daar gaat het, als het goed is, uiteindelijk ook de (a.s.) doctores in de theologie om!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief