Zo was het (5)
1977-03-25
De vorige keer heb ik gesprenim over wedergeboren-worden, bekeerd-worden, vernieuwd-worden, uit-God geboren zijn. Het gesprek met Nicodemus in Joh, 3 leert ons de noodzakelijkheid van de wedergeboorte.- Jaargang 21
- nummer 12
Maar ook de mogelijkheid daarvan en de weg daartoe. De weg daartoe is het geloof!
Wie in de Here Jezus gelooft is wedergeboren, heeft in Hem het nieuwe leven en is begonnen met een nieuw leven.
We moeten niet denken, dat dit alles buiten ons omgaat. We zijn daarin niet lijdelijk.
Ledigheid is des duivels oorkussen. Dat is ook zo op het gebied van geloof en bekering en vernieuwing van ons leven. Wie bij het horen van Gods beloften met de handen in de schoot blijft wachten tot er iets aan hem gedaan wordt, maakt het de duivel gemakkelijk.
Die kan wel gaan slapen. Iemand die niets doet gaat vanzelf wel naar 't verderf.
Men heeft daartegen ingebracht dat er toch staat: gij moet wedergeboren-worden, gij moet vernieuwd-worden. Dat "worden" gaat toch buiten ons om? De HERE moet ons toch vernieuwen?
Ik zeg liever: de HERE doet wel wat Hij beloofd heeft. We moeten ons maar niet bezorgd maken over wat de HERE doen moet. Laten wij er maar voorzorgen, dat wij doen, wat de HERE van ons wil. Als wij Gods beloften aannemen en als wij beginnen te doen wat Hij wil. dan doet de HERE wel wat Hij heeft beloofd. Dan heeft Hij het al gedaan, zou ik zeggen.
Over dat woordje "worden" nog dit. Als een vader tegen zoon of dochterzegt: "Als jij niet anders wordt dan groei je op voor galg en rad", zegt hij dan, dat hij of zij het maar op galg en rad moeten laten aankomen?
Natuurlijk niet. Vader bedoelt, dat die jongen of dat meisje maar anders moet worden, om aan galg en rad te ontkomen. Als iemand zegt: ik wil piloot-worden, dan betekent dat toch niet, dat hij er op wacht. dat iemand hem piloot maakt. Maar hij bedoelt: ik zal alles op alles zetten om het te worden!
Iemand zal tegenwerpen: maar wij kunnen toch niets. wij kunnen ons zelf het geloof toch niet geven? En wij kunnen ons toch niet bekeren? We zijn toch "onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?"
Het is nog erger zou ik zeggen. Een zekere dominee heeft geschreven over vijf dierbare nieten: Ik wil niet, kan niet. heb niet. weet niet, deug niet. Het is nog waar ook. In zekere zin tenminste. En dat blijft waar ook nog voor gelovigen. Dat blijven we zeggen van onze oude mens, van onze boze natuur.
Maar als we daarbij blijven, dan is het niet best. Dan zegt de HERE Jezus: "Ik heb jullie willen bijeen vergaderen als een hen haar kuikens. maar jullie hebt niet gewild".
Ik zou zeggen: Het komt er niet zo zeer op aan, wat ik wil of kan of weet of heb of deug.
Het is veel belangrijker wat de HERE wil, wat Hij kan en wat Hij heeft en wat Hij weet en of Hij deugt. Als we die vragen stellen, dan is het antwoord, dat Hij ons in Zijn Woord geeft: Hij wil dat wij behouden worden, Hij kan ons redden van het verderf, Hij heeft daarvoor Zijn eigen Zoon gegeven, Hij weet wat tot onze zaligheid nodig is en Hij is volmaakt in al zijn deugden.
Mogelijk is dit verhaal voor niemand van jullie nodig. Ofschoon ik daar niet zo zeker van ben. Maar vertel het dan maar door aan iemand, die het wèl nodig heeft. Een br. of zr. die in de zogenaamde zware hoek zit.
Met die brs. en zrs. is 't moeilijk spreken. De onmacht van de mens is er diep in 'gehamerd.
Hamer er maar bij hen in. dat de HERE kan en wil en zal in nood. volkomen uitkomst geven.
Bij onze. "zware" brs. en zrs. ligt één woordje altijd voor in de mond. Het is het woordje "maar". Als ik hun voorhield. dat de Here Jezus in de wereld is gekomen om zondaren te redden. dan was het weerwoord: Maar dat moet je geloven en ik weet niet of ik wel echt geloof. Als ik preekte over de tekst: "Sta op uit de doden en Christus zal over u lichten", dan was het: Maar ik kan toch niet opstaan? Als 'ik aandrong op bekering van een of ander kwaad dan zei men: Maar dat is het nu juist, ,ik wil en kan mij daarvan niet bekeren.
Daartegen is geen menselijk kruid gewassen.
Er is maar één wapen, dat kan helpen: De blijde boodschap van Gods almachtige genade. Het grote nieuws van vergeving om-niet en van leven-te-geef. De goede tijding van rechtvaardiging van de goddeloze.
Als dat niet helpt, dan helpt niets. Wie "maar" Blijft zeggen tegen Gods almachtige genade komt om door eigen schuld.
Ik las met zulk een "ja-maar"-broeder wel eens de geschiedenis van de Verlamde uit Marcus 2. Geraakte. staat er in de Statenvertaling.
Die man 'kon met recht zeggen: ik kan gaan noch staan. ik lig machteloos te liggen. Hij kon geen spier spannen, geen vin verroeren om zo te zeggen. geen been verzetten.
Hij werd dan ook, door vier mannen naar Jezus gedragen. Ze leggen hem voor de Heiland neer. Deze begint met de zieke man z'n zonden te vergeven. Dat vinden sommige Schriftgeleerden godslasterlijk. Bovendien zullen ze wel gedacht hebben: Een goedkoop kunstje. Dát kan iemand gemakkelijk zeggen. Woorden zijn goedkoop. En dan toont de Heiland Zijn macht. Hij zegt tegen de verlamde: “Sta op, pak je slaapmat op en ga naar huis".
Laten we hier even stoppen en vragen: Als die man nu eens gezegd had, dat hij niet 'kon opstaan. dat hij machteloos gebonden lag, dat hij, dus een hopeloos geval was? Wat dan? Nu. dan zou die man om zo te zeggen daar nu nog gelegen hebben. Maar de man zei dat niet. Hij heeft gedacht: Als Hij daar zegt, dat ik moet opstaan, dan kan het ook.
Want de verlamde geloofde in de macht van de Here Jezus. Hij hoorde Zijn stem, geloofde Zijn belofte en gehoorzaamde dus aan Zijn bevel. Hij geloofde, dat Jezus macht had zijn spieren te spannen en zijn voeten in beweging te zetten. En zo stond hij op, nam zijn slaapmat op en wandelde genezen naar huis.
Zo is het toch ook met Gods beloften en bevelen voor zondaren? De Goede Herder zegt tot zijn schapen, fut hen die naar Zijn stem horen: Ik zal jullie weiden, bewaren voor het verderf en redden voor eeuwig. Ik bied jullie vergeving en leven. Ik geef Mijzelf, ik geef jullie Mijn Woord en Mijn Geest, die stort Ik over jullie uit. Want Ik wil niet, dat jullie verloren gaan. Mogen wij dat dan niet geloven? Mogen wij niet aannemen wat ons gratis wordt gegeven? Mogen wij ons dan beroepen op de dierbare vijf nieten? Om zo de Heiland in de kou te laten staan? Als wij dat doen, dan gaan we het verderf tegemoet.
Want we kunnen aan op Zijn beloften. Maar ook op Zijn dreiging: Wie weigert te geloven komt om.
Ik moet vaak denken aan een heel oud heidens verhaal. Dat van Tantalus. Volgens de legende had die man iets vreselijks gedaan.
Daarom straften de goden hem met een afgrijselijke kwelling. Hij werd aan een rots zo vast geklonken, dat hij zich niet roeren kon.
Hij stond in een stroom van helder water.
Dat hem tot aan de mond steeg. Maar als hij wilde drinken, zakte het water weg. Boven zijn hoofd hingen heerlijke druiven. Ze daalden tot aan zijn mond. Maar als hij wilde toehappen, rezen de trossen omhoog. Spijs en drank werd hem voorgespiegeld. Maar er aan komen mocht hij niet.
Zo doen sommige voorgangers met hun hoorders. Ze bieden Gods genadegaven aan, naar ze zeggen. Het aanbod is ook nog welgemeend, naar ze beweren. Er is vergeving.
Er is een eeuwig leven, nu al in voorsmaak, eens in volmaaktheid. Hemels manna wordt geboden, levend water gepresenteerd. Brood en drank zal ik maar zeggen. In één woord: Jezus Christus.
Maar als iemand dan wil toetasten, dan zegt de voorganger: wacht eens even. Is het wel voor jou speciaal? Ben je wel uitverkoren?
Ben je wel wedergeboren. Ben je wel echt bekeerd? En als de arme man of vrouw dat dan niet zeker weet, dan worden ze afgewezen.
En moeten maar wachten tot er "iets gebeurt". Is dat geen Tantaluskwelling?
Gelukkig is onze God, de Vader van de Here Jezus niet aan heidense goden gelijk. Hij 'is almachtig in genade en groot van barmhartigheid!
Wie wil, mag komen en drinken.
Levend water. Gratis.