Nog één keer de "scheppingsdagen"
1977-03-25
Een herinnering- Jaargang 21
- nummer 12
Nog één keer wil ik iets zeggen uit het debat over de scheppingsdagen zoals dat voor een halve eeuw werd gevoerd, voornamelijk door prof. Schilder.
Hij citeert o.a. de volgende uitspraak van prof. Bavinck, waarin deze zijn kijk op de scheppingsdagen formuleerde.
Bavinck schreef daarover o.a. het volgende: "Al zijn de dagen van Genesis 1 dus om de (in het voorafgaande betoog van hem e.v.) genoemde redenen voor dagen te houden en niet met de perioden der geologie te vereenzelvigen, desniettemin dragen zij, gelijk heel het scheppingswerk, een buitengewoon karakter.
Dat blijkt uit het volgende: Ten eerste gaat het niet aan, om gelijk boven reeds is opgemerkt, de creatie prima (eerste schepping e.v.) in Gen. 1 : 1 en de ongevormde toestand der aarde in Gen. 1: 2 te brengen tot de eerste dag. Want de eerste avond in Gen. 1 : 5 valt niet met de duisternis in Gen. 1: 2 samen, trad eerst in en kon eerst intreden nadat het licht geschapen was en een tijd lang geschenen had. Met de schepping van het licht begon dus de eerste dag; nadat dit licht een tijd lang geschenen had, werd het avond en daarna weer morgen.
En toen was de eerste dag voorbij Genesis 1 rekent de dag van morgen tot morgen.
Ten tweede worden de eerste drie dagen van ‘de creatio secunda' ( de tweede schepping. d.w.z. wat Gen. 1 : 3~31 verhaalt e.v.) in het Bijbels verhaal op een andere wijze gevormd en berekend. dan de volgende drie. Het wezen van de dag bestaat niet in een korter of langer duur. maar in de wisseling van licht en duisternis, gelijk Gen. 1: 4 en 5a duidelijk leert. Deze wisseling werd voor de eerste drie dagen niet door de zon bewerkt, welke eerst op de vierde dag is geschapen, maar kwam op een andere wijze, door de emissie (uitzending e.v.) en contractie (samentrekking e.v.) van het in vers 3 genoemde geschapen licht tot stand. Indien dit het geval is. zijn de eerste drie dagen, in weerwil van de overeenkomst.
in een belangrijk opzicht aan onze dagen ongelijk, en dus ongewone, kosmische dagen geweest.
Ten derde is het niet onmogelijk, dat ook het tweede drietal dagen nog in dit ongewone karakter heeft gedeeld. Want wel zijn op de vierde dag zon, maan en sterren geschapen, en laat het zich dus denken, dat het tweede drietal dagen door de rotatie (wenteling e.v.) der aarde ten opzichte van de zon is bepaald.
Maar uit de formatie van zon en maan en sterren op de vierde dag volgt op zichzelf nog niet dat de astronomische en tellurische verhoudingen (d.i. die van de planeten en die van de aarde e.v.) toen dezelfde als thans zijn geweest. De Schrift zelve wijst er ons op. dat door de val en in de zondvloed ontzaglijke veranderingen hebben plaats gehad, niet alleen in de mensen- en dierenwereld, maar ook in de aarde en de dampkring: en de scheppingsorde verkeerde uit de aard der zaak in geheel andere omstandigheden, dan die, welke na afloop van het scheppingswerk intraden.
Ten vierde is het zeer moeilijk, om op de zesde dag ruimte te vinden voor al wat Gen. 1 en 2 daarop laten geschieden, indien die dag nl. in alle opzichten aan onze dagen gelijk is geweest. Want op die dag moet vallen de schepping der dieren, de formering van Adam, de planting van de hof, de afkondiging van het proefgebod.
de leiding der dieren tot en hun naamgeving door Adam. de slaap van Adam en de schepping van Eva. Het moge niet onmogelijk zijn, dat dit alles in een tijdsbestek van enkele uren heeft plaats gehad, waarschijnlijk is het toch niet." Bavinck is van oordeel -- om dit laatste te verstaan moet men dat weten -- dat ons in Gen. 1 en 2 één scheppingsverhaal wordt gegeven. Dat houdt hij tegenover veel critici staande. Wat in Gen. 2 staat is een verbijzonderde beschrijving van de schepping van de mens. Het in Gen. 2: 17-24 verhaalde gaat dus tijdelijk vooraf aan de verklaring van God dat alles wat Hij gemaakt had zeer goed was. Het gaat vooraf aan de voltooiing van Gods scheppingswerk en aan Gods rusten op de zevende dag.
Bavinck besluit zijn betoog aldus: "Om al deze redenen duidt de dag in het eerste hoofdstuk van de Bijbel de tijd aan, waarin God scheppende werkzaam was. Met iedere morgen geeft Hij aaneen nieuwe wereld het aanzijn; de avond treedt in. als Hij deze tot stand heeft gebracht. De scheppingsdagen zijn werkdagen Gods. Door een zesmaal vernieuwde arbeid heeft Hij de ganse aarde toebereid en de chaos in een kosmos veranderd."
Na zo de opvatting van prof. Bavinck te hebben weergegeven, noemt Schilder die welke prof. dr A. Noordtzij in zijn standaardwerk "Gods Woord en der eeuwen getuigenis" ontwikkelde.
Noordtzij wijst er in dit boek, aldus Schilder, op dat hij evenals de "mannen van Assen" tegen willekeur is gekant, zodat hij er bezwaar tegen maakt, dat men "geheel willekeurig het woord "dag" als tijdvak, periode, of als een zich over eeuwen uitstrekkend tijdsbestek opvat". Maar overigens gaat hij toch zakelijk in zee met de anderen, die ook de "dagen" van Genesis één beoordelen naar eigen wijze en volgens verband van het verhaal, en dan wel met zulke uitkomst, dat zij aan "dagen" van bizondere formatie denken. Immers prof. Noordtzij merkt op: dat niet het begrip "dag" het eerste is in Genesis één, maar het getal 6 plus 1; dat Genesis één niet "hecht" aan het begrip "dag" en. daaraan een geheel eigenaardig gebruik maakt; wat uit vs 14 blijkt; dat het gebruik van "dagen" en "nachten", van "avond en morgen" door de schrijver doelbewust als een kader is ingevoerd; dat wij volgens 2 Petr. 3: 8 bedenken moeten dat één dag bij de Heere is als 1000 jaren en omgekeerd."
Schilder wil geen debat openen over deze kwesties. Men kan z.i. persoonlijk tegen heel deze beschouwing bezwaar hebben of, zoals hij, tegen een deel van de argumenten waarop zij steunt.
Maar wat ieder kan zien is: a. dat men op deze wijze blijft binnen het terrein der exegese b. dat voorstellingen als hier worden voorgedragen met betrekking tot Genesis één zich aandienen met een beroep op de bijbel zelf, men wijst immers op het feit dat althans de eerste drie "dagen" in Genesis één geen (gewone) zonnedagen zijn geweest; en dat het woord "dag" in de Bijbel lang niet altijd een etmaal betekent; c. dat men in Genesis één het feit laat staan en óók de historische orde daarvan; d. dat boven aangehaalde theologen, ieder op eigen manier, graag zullen erkennen, dat de wetenschap voor hen de “aanleiding" werd om zich nader te bezinnen over de "dagen" van Genesis één, een "aanleiding", een "prikkel" tot nadenken, maar geen "maatstaf' voor het denken. Van "verwetenschappelijking der theologie" was bij hen geen sprake.
e. dat men bij de boven doorgegeven citaten het gelovig denken bezig ziet, maar in gebondenheid aan hetgeen geschreven staat, en in een eerlijke poging om de zin daarvan te grijpen.
Laat ik ter afsluiting van ons verhaal over de "scheppingsdagen" eert paar uitspraken van Calvijn citeren.
Hij heeft ook over de schepping prachtige dingen gezegd.
Calvijn begint zijn kommentaar op Genesis zo: “Omdat Gods oneindige wijsheid in dit wonderlijke kunst gewrocht van hemel en aarde doorstraalt, is het er verre vandaan, dat de geschiedenis van de schepping der wereld overeenkomstig haar waardigheid naar behoren beschreven zou kunnen worden. De mate van ons verstand is immers te klein, dan dat het zaken van zulk een omvang, zou kunnen bevatten. Evenmin is onze taal in staat, om deze dingen volledig en grondig te verhalen."
Calvijn wijst er voorts op dat ook in verband met de schepping der wereld door God wij verwezen worden naar het Woord van God.
Door dat Woord is de wereld in het aanzijn geroepen en alleen door het geloof in dat Woord verstaan wij dat (Hebr. 11:3).
Dat geloof ontstaat nu alleen door het onderwijs dat wij van Mozes in Gen. 1 en 2 ontvangen.
Daardoor, door dat onderwijs, zwerven we niet meer rond in dwaze en ijdele bespiegelingen over de schepping en het geschapene, maar aanschouwen we de Enige, Ware God in zijn oorspronkelijk beeld, namelijk het geschapene. de aarde en de hemel en wat daarin is.
Nu kan men daartegen inbrengen dat Paulus leert: "Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft. heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen, die geloven." Met deze woorden verzekert Paulus ons namelijk dat men God tevergeefs zoekt met behulp van de zienlijke dingen, en dat ons niets anders overblijft, dan rechtstreeks tot Christus te gaan. Daaruit volgt. dat men om God te leren kennen niet moet beginnen met de "elementen" der wereld maar met het Evangelie. Dat alleen stelt ons Christus en zijn kruis voor ogen en doet ons daarbij blijven.
Ik antwoord hierop, aldus Calvijn, dat men tevergeefs over de schepping der wereld filosofeert, als men niet éérst door de prediking van het Evangelie vernederd werd en geleerd heeft alle scherpzinnigheid van het verstand te onderwerpen aan de dwaasheid van het Evangelie. Nergens elders zullen we iets vinden dat ons tot God opvoert totdat Christus ons in zijn leerschool heeft onderwezen.
Dit nu kan niet anders geschieden dan doordat wij uit de diepten der hel worden opgetrokken door het voertuig van zijn kruis (crucis eius vehiculol) tot boven alle hemelen worden opgevoerd om daar door het geloof te leren verstaan wat het oog nooit gezien. geen oor ooit gehoord heeft en ons hart en verstand verre te boven gaat.
Ten slotte: het scheppingsverhaal is ons vóór alles gegeven om ons diep te doen beseffen dat wij in een huis wonen dat God gemaakt heeft, dat daarom ook zijn eigendom is en blijft. dat Hij ook bij de voortduur in stand houdt en dat wij daarin mogen leven. wonen, werken en alles wat daarin is mogen gebruiken - in het geloof in
de gehoorzaamheid aan en de dienst van Hem!