Uit liefde voor de tegenwoordige wereld

1977-03-25
  • Jaargang 21
  • nummer 12
Als de apostel Paulus zijn tweede brief aan Timotheüs schrijft is het eind van zijn leven nabij. Hij bevindt zich dan voor de tweede maal als gevangene in Rome.
Min of meer vereenzaamd. Wel geniet hij in zijn kerker de troostvolle gemeenschap van de heilige Geest. Maar van zijn naaste vrienden en medearbeiders is de een na de ander uit Rome vertrokken.
Crescens is naar Galatië afgereisd.
Titus is naar Dalmatië vertrokken.
Tychicus moest hij naar Efeze zenden, om daar het werk van Timotheüs over te nemen.
De enige die hem nog dagelijks met raad en troost kan bijstaan is de geliefde dokter Lukas, zijn trouwe metgezel van jaren, die ook tijdens zijn eerste gevangenschap niet van hem geweken is.
Maar dat is dan ook alles, wat Paulus van zijn naaste vriendenkring heeft overgehouden.
Want ook Demas, de man die hem vroeger zo trouw terzijde had gestaan, ook in zijn banden en verdrukking, was weggegaan.
Met droefheid schrijft Paulus in zijn brief, dat Demas hem in de steek heeft gelaten en naar Thessalonica was afgereisd.
Demas behóéfde niet weg en de apostel kon zijn tegenwoordigheid en diensten juist nu zo goed gebruiken. Maar Demas wilde weg. Paulus schrijft met droefheid: hij heeft de tegenwoordige wereld lief gekregen. Het leven daar in Rome, in gemeenschap met de gevangene, met al die konsekwenties en gevaren daaraan verbonden, begon hem te bezwaren. En het verlangen naar het gewone leven met zijn aantrekkelijkheden en mogelijkheden kon hij niet langer weerstaan.
Uit liefde voor dat meer vrije, zorgeloze leven met zijn uitzichten en verwachtingen, zoals hij dat vroeger in Thessalonica gekend had en nu weer zo sterk bekoorde, besloot hij van Paulus afscheid te nemen, hem in zijn druk en banden achter te laten, heen te gaan ... uit Rome wèg ... naar Thessalonica!
Gemeenschap te houden met Gods verdrukte volk vraagt nog altijd zelfverloochening. Hoevelen die in dagen van kerkreformatie aanvankelijk bereid waren om 's Heren wil smaad en miskenning te dragen, konden toch op de duur het offer van verbroken vriendschappen en verstoorde familieverhoudingen, niet dragen en zijn in het oude, eertijds veroordeelde spoor teruggekeerd.
Wie denkt hier niet aan de woorden van de Heer Jezus: 'Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het koninkrijk Gods'.
(Lukas 9 : 62)


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief