JEREMIA

1977-04-01
  • Jaargang 21
  • nummer 13
Horen
Die oriëntatie op de wet wordt in Deut. 27 omschreven als: de wet metterdaad volbrengen. In Jer. 11 als: horen naar de woorden van dit verbond. In ons spraakgebruik zijn dat twee verschillende zaken, Horen en volbrengen zijn niet hetzelfde, Ze vormen vaak zelfs een tegenstelling. In de bijbel is dat niet het geval. Gods Woord echt horen sluit het doen van dat Woord in. Waar dat niet zo is, is geen sprake van echt horen.
Horen is gehoorzamen.
Horen naar de woorden van het verbond impliceert het volbrengen van die woorden.
Dat wet en verbond elkaar dekken blijkt ten overvloede uit de formulering van de verzen 3 en 4: de woorden van het verbond dat Ik aan uw vaderen geboden heb.
Een verbond dat geboden wordt, kennen wij in ons spraakgebruik niet, omdat verbond en wet voor ons totaal verschillende zaken zijn. Bij God is dat niet zo. Zijn verbond met Israël is wet. En zijn wet is verbond, Daarom kan Hij het verbond gebieden.
Kijk, zegt Jahweh, dat heb Ik aan het begin van Israëls geschiedenis gedaan. Toen heb Ik met het volk een verbond gesloten en gezegd: Leef nu naar dit verbond. Doe nu maar alles wat Ik gebied. Dan is een leven in mijn gemeenschap mogelijk. Dan wordt uw leven door Mij gezegend. Dan zult ge Mij tot een volk zijn en zal Ik u tot een God zijn.
We moeten ons weer goed realiseren, dat dit geen gevolg is van het volbrengen van Gods wet.
Men kan in vs. 4 gemakkelijk lezen, dat Israël pas Gods volk zal worden als het Gods wet volbrengt.
Dan is het volk van God zijn iets dat veroverd, verdiend, moet worden.
Zo heeft men het inderdaad vaak gelezen.
Maar daardoor is men helemaal van het bijbelse spoor afgeraakt. De HERE wil niet zeggen dat Israël hierdoor eigen inspanning zo ver kan schoppen, dat Hij hun God zal zijn. Integendeel. De HERE zegt: Ik ken jullie God. Maar leef nu wel naar mijn inzettingen.
Want alleen dan kan het zo blijven.
Want als jullie dat niet doen, gaat de vloek van het verbond in werking treden. Dan wordt de gemeenschap met Mij doorgesneden.
Wanneer u zulke uitspraken als in vs. 4 tegenkomt, moet u ze altijd zo lezen. Anders krijgt u een scheef beeld.

Ongehoorzaamheid en oordeel
Jeremia begrijpt onmiddellijk dat de HERE in vs. 3 en 4 teruggrijpt op Deut. 27. Hij kent zijn bijbel.
Daarom reageert hij nu precies op dezelfde wijze als waarop het volk toen moest reageren op het horen van de vervloeking, Hij zegt: amen, Jahweh, zo is het.
Zo was het ook inderdaad. Zo lagen de verhoudingen. Zo was het allemaal begonnen. En houd dat de mensen in Juda en Jeruzalem nog maar eens voor. Herinner hen nog maar eens aan dat verleden, aan de manier waarop het begonnen is. En confronteer hen dan met de wijze waarop Israël steeds heeft gereageerd, heel de geschiedenis door: zij hoonden niet. D.w.z. zij gehoorzaamden niet. Noch neigden zij hun oor. Dat is ook een uitdrukking voor niet gehoorzamen.
Ze wandelen allen in de verstoktheid van hun boos hart.
Het hart is de direktiekamer van het leven. Die was vastgeroest in de boosheid. Er werd: daar geen rekening met God gehouden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief