Religieuze poëzie
1977-04-01
over: Nel Benschop.- Jaargang 21
- nummer 13
Een open hand naar de hemel,
Kampen 1976, 52 blz., f 6,90
Co 't Hart.
Tegenwind,
Kampen, 1976, 56 blz. f 6,90
Bij uitgeverij Kok in Kampen verschenen twee gedichtenbundels met religieuze poëzie.
De dichteres Nel Benschop is waarschijnlijk bij de lezers van Opbouw al wat bekend: dit is al haar vijfde bundel, haar gedichtenbundels worden goed verkocht en er is nu door de uitgever zelfs een grammofoonplaat uitgebracht waarop ze zelf uit haar werk voorleest.
De bundel Een open hand naar de hemel heeft twee afdelingen, in het eerste deel, met dezelfde titel, komen in dichtvorm vragen van de mens aan God naar voren, vragen om Gods nabijheid, om kracht in het lijden en bij het sterven van geliefden. In de tweede afdeling, Een open hand uit de hemel vindt men als het ware de antwoorden, beloften omtrent God's nabijheid en vertroostingen, o.a. in de vorm van parafrases van de zaligsprekingen.
De gedichten zijn stuk voor stuk gemakkelijk te lezen, het taalgebruik is traditioneel, maar wel verzorgd. Nergens treft men echter originele beelden of gedachten aan. Die gemakkelijke leesbaarheid is de kracht van deze bundel. maar anderzijds ook de zwakte: origineel taalgebruik, treffende beelden, het spelen met taal, dat alles vindt men in deze bundel niet. Maar de gedichten spreken wel van een intens bezig zijn met het Christenzijn en het verwerken van menselijke smart.
Dat zal ongetwijfeld vele christenen aanspreken.
De tweede bundel, Tegenwind, is van een tot nu toe minder bekende dichteres, Co 't Hart. Nu, wat mij betreft moet ze voorlopig als dichteres ook maar niet bekender worden.
Ook zij schrijft voornamelijk traditionele religieuze poëzie, maar in tegenstelling tot Nel Benschop heeft ze niet een verzorgd taalgebruik, en bezit ze niet het vermogen een beeld naar behoren uit te werken. Laat ik dat eens demonstreren aan de hand van het titelgedicht, Tegenwind:
Uw Naam was als een zegening,
door heel mijn leven heen.
Toen was het of U mij verliet
en in het niets verdween.
Ik kwam in een orkaan terecht,
die door mijn leven joeg,
totdat er niets meer overbleef
en niemand naar mij vroeg.
Ik dacht, dat ik verdrinken zou,
op rotsen stuk zou slaan,
gegrepen door het mensengrauw,
verscheurd zou ondergaan.
Maar vechtend als een drenkeling,
greep ik de reddingslijn,
Uw niet te breken eeuwig woord:
"Mijn oog zal op U zijn."
En langzaam stierf toen de orkaan:
vertrouwend als een kind,
wist ik, dat U dezelfde bleef.
bij zon en tegenwind.
De 'ik' van het gedicht voelt zich in het eerste couplet plotseling door God verlaten. Maar in het tweede couplet is de 'ik' opeens door de mensen verlaten ("en niemand naar mij vroeg"). De orkaan, beeld van de beroering van het leven van de ik-persoon, woedt volgens het derde couplet opeens op 'zee, en de 'ik' is nu een schip dat op de rotsen dreigt stuk te slaan, dan weer een drenkeling, dan weer - blijkbaar inmiddels aan vaste wal"gegrepen door het mensengrauw" . Kortom, het beeld dat gebruikt wordt, verschuift voortdurend, en we weten niet meer wat nu beeld is van wat. Tenslotte blijkt dan ook nog dat de orkaan een soort tegenwind is: het valt dus allemaal nogal mee met de nood.
Het gedicht Pniel is ook merkwaardig. De titel zinspeelt op de worsteling tussen Jakob en de engel. De 'ik' die, in tegenstelling tot Jakob, blijkbaar niet overwint (..Al zullen Uw handen mij dan breken") zegt:
Zeg mij Uw Naam. Ik moet toch weten,
met Wie en waarom ik strijd?
Waarom ik U nooit meer los wil laten?
Niet nu. Niet in eeuwigheid.
Afgezien van het niet kloppende metrum van de laatste regel moeten we uit het gebruik van de hoofdletters begrijpen dat de 'ik' wel weet dat hij met God worstelt. De Pniel-situatie kan dus geen beeld zijn van de hier beschreven worsteling met God.
Het beeld van een schip in de storm is zoals bekend, geliefd. Het komt ook voor in traditionele liederen als' 't Scheepken onder Jezus hoede' en 'Ruwe stormen mogen woeden'.
Co 't Hart gebruikt het in deze bundel ook nogal eens, en afgezien van het versletene van dit beeld, ook nog inconsistent. b.v. in het gedicht Het Kompas: eerst is de ikpersoon een schip, daarna huilt deze, daarna is de ik-persoon degene die het schip bestuurt:
Van mijn ankers losgeslagen,
drijf ik hulpeloos in zee,
als een speelbal van de golven,
met de wilde winden mee.
……………
Niemand weet hoe of ik huil,
Omdat straks mijn schip zal breken.
Ook gebruikt Co 't Hart de gedichtvorm voor wat in feite een gedachte in proza is, het gedicht Sollicitanten (de schuine strepen geven de verdeling in versregels aan!) De telefoon/ heeft me vandaag/ geregeerd/ 'k Heb mensen/ afgeweerd/ waarmee ik graag/ had willen praten./ Ik hoorde/ aan hun stem./ hoe kwetsbaar en verlaten/ ze door een/ harde wereld gaan.," die rode cijfers vreest./ Ben ik vandaag/ een nummer/ en geen mens geweest?
Sommige gedichten zijn voor de lezer moeilijk te begrijpen, b.v. Brandend Vuur dat waarschijnlijk moet worden geïnterpreteerd als een waarschuwing om niet voor het huwelijk met elkaar naar bed te gaan, maar verder erg ontoegankelijk is.
Het is uiteraard niet mogelijk alle gedichten stuk voor stuk de revue te laten passeren.
Maar het is duidelijk, dat ook al schreef Co 't Hart wel enkele aardige gedichten, zij toch veel selectiever te werk had moeten gaan bij de samenstelling van haar bundel, en wat kritischer had moeten zijn ten aanzien van de poëtische kwaliteiten van haar werk.
Als men van weliswaar traditionele, maar eenvoudige en verzorgde religieuze poëzie houdt, moet m.i. aan de gedichten van Nel Benschop duidelijk de voorkeur worden gegeven.