Binding aan personen

1977-04-08
  • Jaargang 21
  • nummer 14
Een goede preek ...

Wanneer u een goede preek hebt gehoord over een bepaald Schriftgedeelte, dan zult u dat gedeelte voortaan ànders lezen dan tevoren.
Neen, daarmee bedoel ik echt niet dat de preek de Schrift "verrijkt" heeft. Dat is nooit mogelijk.
Maar helt is wel zo, dat de preek de rijkdom van het Schriftwoord heeft laten zien, in rijkdom die er altijd al in lag. Daarom voel je ook steeds iets van zelfverwijt ... Waarom heb ik dat vroeger niet gezien?
Hier hebben we wat ik een kenmerk van een goede preek zou willen noemen. Zo'n preek gaat van de Schrift uît en ze keert tot de Schrift terug. De konklusie is dan ook niet in de eerste plaats, dat de preek zo mooi is maar dat de Schrift zo rijk is. De preek laat een grote blijdschap over Gods Woord opkomen en een groot verlangen naar nadere en diepere kennis van de boodschap van de Bruidegom.
De man die de preek mocht houden doet eigenlijk denken aan de uitdrukking die Johannes de Doper voor zichzelf bezigt: de vriend van de bruidegom (Joh. 3: 29), de man die van optreden èn van terugtreden weet en die niet voor zichzelf aan het werk is. Ook valt hier te denken aan het woord van Paulus als hij zegt dat hij gearbeid heeft "om u ah een reine maagd voor Christus te stellen" (2 Kor. 11: 2). Een belangrijk werk, maar ook weer een werk dat zijn zin en doel niet heeft in de persoon van de apostel maar in de eer van de Bruidegom die zijn bruid ontvangt. Een goede preek heeft iets anoniems, omdat de naam van de prediker uit het geheel weer wegvalt. De hoorder rust niet in de prediker, ook niet in de preek als "prestatie-op-zich", maar hij komt tot rust in het woorden de stem van de Bruidegom.
In datgene wat blijft en krachtig is.
Zulk een prediking bewerkt - ik zei het al - een grote vreugde in Gods Woord en daarbij een êlan dat voorwaarts gericht is, een verlangen om verder te komen en op te wassen in de genade en de kennis van onze Here Jezus Christus.

Averechts effekt ...

Als voorbeeld van zo'n goede preek zou Ik weer willen noemen de 15ekencfe preek van Prof. Holwerda over Psalm 139. Deze preek vertoont in bizondere mate de kenmerken die ik boven noemde.
Kijk, nu heb ik toch de naam van een mens genoemd! Dat is natuurlijk niet erg. We mogen de Here ook stenig danken voor hetgeen Hij ons in deze prediker gegeven heeft. Maar dan kan het ineens verkeerd gaan! Ja, Professor Holwerda, zo heb ik wel eens een oudere broeder horen verzuchten, Professor Holwerda, die kon het! Wat missen we hem! Zulke preken! Kom daar vandaag maar eens om ... ! Een weemoedig omzien. En daarbij de gedachte dat het sindsdien maar behelpen geworden is. Dat is vanuit onze menselijke overwegingen heel best te begrijpen. Toch moeten we wel zien dat de goede uitwerking van de prediking een draai heeft gemaakt van 1800 en dat er zo een volslagen averechts effekt is opgetreden.
De blijdschap in het blijvende Woord van God, het rechtstreekse doel van de prediking, ... ze is helemaal overschaduwd door een weemoedig omzien naar wat gewéést is, Het voorwaarts gerichte élan heeft plaats moeten maken voor een achterom kijken in machteloosheid.
Het open zijn voor de toekomst is vervangen door de afgeslotenheid van de man die zich omkijkend behelpt in berusting. De prediker heeft de goede anonimiteit verloren waarover ik het boven had. Zijn naam is niet meer uit de gemeenschap van Bruidegom en bruid weg te krijgen. Een Rebekka, voor wie Izak alleen maar dierbaar kan zijn, omdat het Eliëzer was die hem haar heeft aangewezen (naar Gen. 24)!
Wanneer we zó onze voorgangers eren, dan zal het nodig zijn dat we aan art. 26 NGB, dat gericht is tegen de roomse heiligenverering, een nieuwe en speciale toepassing geven en wel voor “inwendig gebruik". Want als we zo spreken en denken over onze voorgangers, dan doen we "hetgeen zij nooit gedaan noch begeerd hebben, maar hebben het volstandig en volgens hun schuldige plicht verworpen ... ". Zij hebben immers niet minder maar ook niet meer willen zijn dan "vriend van de bruidegom". Hoe is het mogelijk, dat het goede werk van de prediker resulteert ineen geesteshouding die de kracht wegzuigt ... uit de klager zelf èn uit zijn naaste omgeving! Het is alsof de duivel ermee speelt. Ik vrees, dat dàt ook inderdaad het geval is!

Van "Koningen" terug naar "Richteren" ?

Ik noemde Prof. Holwerda en had het over ,,een oudere broeder". Dat zou even de indruk kunnen geven, dat we ons bezig houden met een verschijnsel in het verleden.
Niets is minder waar! Ook heden en ook bij jongere mensen kan men dat averechtse afsluitingseffekt soms opmerken. Dat heb ik zelf in het verleden wel meegemaakt en ik heb het ook wel van kollega's vernomen. Vaak is een verhuizing de gelegenheid waarbij het averechtse effekt zich doet gelden. Men komt uit een grótere gemeente, waar vóller werd gezongen, mooier op het orgel gespeeld, rijker gepreekt, Inniger samengeleefd. En dit goede verleiden resulteert in een afsluitingseffekt! Als je zó een nieuwe gemeente binnenkomt, dan heb je al een belemmering ingebouwd waardoor je je niet thuis zult voelen.
Wat jammer toch! We behoeven helemaal niet te twijfelen aan de kwaliteiten van die vorige gemeente of van die vroegere predikant!
Maar waarom moest al dat goede zich uitwerken in dat machteloze achteromkijken?
Waarom werd het eigenlijke doel - blijdschap in God, een voorwaarts gericht êlan, honger naar Gods Woord en naar de gemeenschap - helemaal niet bereikt?
Moest "Eliëzer" dan méé verhuizen?
Men moet van deze houding verlost worden, wil men niet zichzelf en anderen ongelukkig maken.
Misschien is het" wel zo, dat wij als "buitenverbanders" in bizondere mate tegen dit verschijnsel te strijden hebben. Waarom? Omdat we zo veel zijn "kwijtgeraakt"
(tussen aanhalingstekens!).
Wij mogen als kerken onderling het één en ander op nuttige wijze organiseren, maar het rusten in de organisatie is voorbij.
Op de regionale vergaderingen mogen wijze mannen samenkomen, maar ze krijgen niet meer de "image" van een “wachterskollege op Sions muren". Besluiten mogen genomen worden en nuttig zijn, maar ze bereiken niet meer de status van rustpunten.
De nadruk op het kerkverbandelijk-institutionele is minder geworden.
De dagen van de kerkelijke "Koningentijd" zijn voorbij.
Dat behoeft niet zo'n verlies te zijn, als we daardoor meer rechtstreeks en direkt voor Gods aangezicht komen te staan, als we echt en diep leren wat Luther met grote ernst zijn hoorders inprentte: Gij staat voor God, "coram Deo", en er is geen Middelaar dan de Ene!
Maar als we niet geheel en niet werkelijk zijn vrij geworden, dan zal onze “hiechtingsbehoefte" ànder emplooi zoeken. En dan ligt het voor de hand om van de "Koningentijd" naar de "Richterentijd" (aanhalingstekens!) terug te reizen. Dan komt de hechting aan de "Geestbegaafde persoon", de éne dienaar die ons zo veel mocht geven. Dan komt de verschrikkelijke verheffing van de vriend van de bruidegom. En die hechting sluit ons af voor àndere "vrienden", voor nieuwe gemeenschappen. Er is dan vergeleken bij het verleden niets gewonnen zie Richt. 8 : 22 evv. Op een vermoeiende manier zal de ene hechting altijd weer de andere oproepen!
En dat alles omdat we niet goed hebben leren luisteren naar een goede preek. Dat alles omdat we het bedoelde resultaat 180 graden hebben gedraaid.
Laten we bidden om goede preken.
Maar niet minder om het goede Gode-welgevallige hóren!
Opdat de bruid met alle dankbaarheid voor de "Eliëzers" en hun arbeid zich toch hechten en binden mag aan de Bruidegom alleen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief