Een niemand ontziende bestraffing
1977-04-08
In de gemeente van Antiochië, waar met Paulus en Barnabas ook Petrus tegenwoordig was, kwamen op zekere dag enkele broeders uit Jeruzalem. Christenjoden die behoorden tot de partij van Jacobus, ijveraars voor de Mozaïsche wet. Hun principe was, dat een christenjood onder alle omstandigheden nog gehouden was de joodse wetten te blijven onderhouden., Deze partijmensen namen het de joodse christenen in Antiochië kwalijk, dat ze met hun christenbroeders uit de heidenen zo maar tafelgemeenschap onderhielden, zonder daarbij acht te geven op de mozaïsche reinigingsvoorschriften en spijs wetten en sabbatsonderhouding. Even goede vrienden met de christenbroeders van heidense afkomst, maar deze waren ten slotte onbesnedenen.- Jaargang 21
- nummer 14
Ze vonden dat het daar in de gemeente van Antiochië maar al te vrij toeging. Een jood bleef toch te allen tijde een jóód. Daarom hielden ze in Antiochië hun eigen tafel, waaraan in geen geval onbesnedenen mochten aanzitten.
Petrus wist, zo goed als Paulus, dat de joodse wet in Christus haar vervulling had ontvangen.
Dat een christen-jood daarom in principe vrij was van de joodse wet en dus vrij mocht aanzitten met christen-broeders uit de heidenen. Zo was hij dan ook gewoon te doen in de gemeente.
Maar nu de mannen van de Jacobus-richtinq gekomen waren, ging hij zich van die tafelgemeenschap terugtrekken. Mensenvrees en vrees voor prestigeverlies speelde hem parten. Tegen beter weten en eigen overtuiging en scheidde hij zich af, om óók apart te gaan eten. En anderen volgden zijn voorbeeld. Zelfs ook Barnabas.
In dit kritieke moment treedt Paulus met openbare bestraffing op. De eenheid van Christus' kerk en de zuiverheid van het Evangelie stonden op het spel.
Hij bestrafte Petrus openlijk. De Here redt hier zijn kerk, door aan Paulus getrouw makende genade te geven.
Petrus werd een pilaar der kerk geacht. Maar de pilaar was hier aan het wankelen. Mensenvrees en dreigend prestigeverlies doen hem struikelen en veinzen. Dezelfde zwakheid en zonde, welke hem eens zijn Meester deden verloochenen.
Wat komen ook de groten in het koninkrijk Gods moeilijk van hun ellendigheden af. Wat kunnen mensenvrees en vrees voor prestigeverlies vooraanstaande ambtsdragers in de kerk parten spelen tot grote schade van de kerk. De Here make ons in alles getrouw!