De christelijke vrijheid (slot)
1977-04-15
We zouden in dit artikel. zo besloten we het vorige, de vraag onder ogen zien naar het verband tussen onze christelijke vrijheid en de wet van God als ordening van het christelijke leven.- Jaargang 21
- nummer 15
Het is niet moeilijk uit verschillende werken van Luther citaten aan te dragen, waarin deze functie van de wet wordt erkend, maar evenmin andere, die spreken over de overbodigheid van de wet voor de recht gelovigen.
De zaak ligt in dit opzicht bij hem ietwat ingewikkeld en de discussies over zijn standpunt zijn nog steeds aan de gang. Daar we geen citatenspel willen bedrijven laten we daarom Luther thans rusten. Calvijn neemt een wel zeer duidelijk standpunt in. Hij noemt zelfs als het voornaamste gebruik der wet dat zij de gelovigen leert wat de wil des Heren is en dat zij hen tot de gehoorzaamheid daaraan stimuleert.
zulks naast haar de zonde ontdekkende functie, die in elk geval bij Luther domineert. Maar liever dan ons in deze situatie op Calvijn alleen te beroepen willen we het Nieuwe Testament nu rechtstreeks gaan raadplegen.
Daarbij valt het ons dan op dat de apostelen. die het meeste over de christelijke vrijheid geschreven heeft tegelijk aan enkeling en gemeente een rijk geschakelde veelheid van voorschriften en nadere explicaties van de geboden van God heeft geschonken. Ik bedoel de apostel Paulus! Dit is in zo sterke mate het geval, dat prof. dr Herman Ridderbos in zijn belangrijke boek over deze apostel kan schrijven: "Indien de aard van het nieuwe leven en van de op grond daarvan geëiste nieuwe gehoorzaamheid met het onderworpen zijn aan nieuwe voorschriften en geboden in strijd zou zijn. dan zijn Paulus' brieven van de eerste tot de laatste niet meer te begrijpen want ze zijn er vol van." 1) Dit is inderdaad het geval.
Uit Christus' dood en opstanding, waaraan de christenen door hun geloof deelhebben, vloeit een nieuw leven voort in geloof en liefde. Maar de gestalte, waarin dit nieuw leven zich te vertonen heeft. Iaat de Heilige Schrift niet zonder meer over aan de geloofsintuïtie noch aan de geloofsconclusie uit enkele algemene beginselen of principes, zij geeft daarvoor zelf ook nadere aanwijzingen, die ons als gezaghebbend worden voorgehouden.
Daarmee komt de wet niet weer naar voren als een nieuwe weg tot het heil, maar zij wil ons op deze wijze bij de gegeven verlossing bewaren en het verloste leven in de rechte banen leiden en tot verdere ontplooiing brengen.
We moeten niet vergeten dat dit ook haar oorspronkelijke bedoeling was! Het latere Jodendom heeft er wel een nieuwe heilsweg van gemáákt, maar zulks tegen de oorspronkelijke opzet van de wet in. Haar opschrift: Ik ben de HERE, uw God enz. leert ons duidelijk dat de verlossing aan de gave van de wet voorafging en dat zij dus geen weg tót de verlossing wilde aangeven, maar het dankbare leven daaruit wilde omschrijven. In het Oude Testament worden Gods genadige verkiezing van Israël en zijn geven van de wet aan dit volk direct met elkaar verbonden: Hij heeft Jakob zijn woorden bekend gemaakt. Israël zijn inzettingen en verordeningen. Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan, en zijn verordeningen kennen zij niet. Hallelujah. Ps. 147: 19 en 20.2) Daarom heeft de gelóvige een welgevallen in de wet van zijn God "naar de inwendige mens". Rom. 7 : 22.
De Heiland zelf wist zich in al Zijn doen gebonden aan de wil van Zijn hemelse Vader, zoals deze Hem bekend was uit het geschreven Woord. Daarop beriep Hij zich tot driemaal toe bij zijn verzoeking door de duivel in de woestijn. Hij wijst de boze af met Zijn besliste: Er staat geschreven ... Matth. 4 : 4. 7. 10.
Het beroep op de leiding van de Heilige Geest kan hier geen tegeninstantie tegen vormen. Die leiding is er en in verband daarmee spreekt de Schrift over een wandelen door de Geest en van een zich door Hem laten leiden.
Gal. 5: 16 en 18. Wel zeer duidelijk wordt de Geest in Rom. 8 : 4 als norm van het nieuwe leven getekend, wanneer daar sprake is van een wandelen naar de Geest. Maar dit is niet in strijd met de verschillende geboden en voorschriften, die wij in dezelfde Schrift vinden, want deze zijn van de Geest zelf afkomstig! Hij concretiseerde daarin voor een deel zijn leiding van de gelovigen en van de gemeenten. Ik meen ook de Geest Gods te hebben, schrijft Paulus aan het slot van 1 Cor. 7. een hoofdstuk waarin hij heel wat concrete aanwijzingen en bevelen geeft. Die vinden we eveneens in de brieven van de Heiland aan de zeven gemeenten in Klein Azië en deze eindigen allen met de oproep om te horen wat de Géést tot de gemeenten zegt. Openb. 2 en 3.
Wel zijn heel wat geboden en voorschriften uit de wet van Mozes "vervallen", in zover ze nl. verband hielden met de aparte plaats van Israël in de openbarings- en heilsgeschiedenis en slechts schaduwen waren van de toekomstige goederen en niet de gestalte dier dingen zelf. Hebr. 10 : 1. Maar dit heft de wet in haar blijvende betekenis niet op, noch verhindert dat een nadere concretisering voor de gemeente van het Nieuwe Verbond. God heeft Zijn Zoon gezonden ... opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen. maar naar de Geest. Rom. 8 : 4.
Het onderscheid tussen de gemeente van het Oude en die van het Nieuwe Verbond moet hierbij niet verwaarloosd worden. Het volk Israëls was onmondig. Gal. 4 : 1 en dat bracht mee dat zijn weg door de geschiedenis nauwkeurig was afgepaald door een menigte van voorschriften en bepalingen.
De mondigheid van de Nieuwtestamentische gemeente brengt mee dat zij in vele gevallen tot een zelfstandig oordeel wordt geroepen in allerlei vragen.
die haar voorkomen. Zij wordt opgeroepen om zelf te onderkennen wat de wil van God is. het goede. welgevallige en volkomene, Rom. 12: 2. Zij heeft te toetsen of te beproeven wat de Here welbehaaglijk is. Ef. 5: la en te trachten dat te verstaan. vers 17.
Deze mondigheid brengt de Schrift volledig in rekening, maar dat neemt niet weg, dat zij nog onvolkomen is in kennis en geloof en liefde en daarom ook door Gods goedheid geholpen wordt met verschillende aanwijzingen en bevelen om haar weg door de geschiedenis te vinden en Gods wil te verstaan.
Wanneer wij uit zucht tot systematisering een zwart-wit schema hanteren doen we tekort aan de volheid van het Nieuwe Testament.
Daarin is geen sprake van een of-of, maar van een en-en.
Uit vrije liefde handelen èn naar Gods gebod. Wordt trouwens de gehele wet niet vervuild in één woord: Gij zult liefhebben? Gal. 5: 13.
Niet altijd maar toch wel vaak dragen de bevelen en voorschriften in het Nieuwe Testament een door de situatie. waarin zij gegeven zijn. gestempeld karakter. dat willen we niet vergeten. En het behoort mede tot de geestelijke volwassenheid van de Nieuwtestamentische gemeente te beoordelen hoe en in hoeverre zij voor haar geldigheid hebben. Maar dit doet aan helt beginsel niet af dat ook wij aan Gods bevelend spreken gebonden zijn, ook als het door middel van de apostelen tot ons komt. Daarom is het een verkeerd verstaan van onze christelijke vrijheid om concrete aanwijzingen en geboden terzijde te schuiven, evenals het in de mondig geworden gemeente van Christus een nieuwe vorm van wetticisme is om te zeggen: dit of dat heeft de Here niet nadrukkelijk geboden en gepreciseerd, daarom mag je het niet doen, terwijl het toch ligt in de lijn van heel Gods openbaring. Ik denk hierbij o.m. aan de nadere inrichting van het kerkelijke leven, waarvoor we in het Nieuwe Testament niet een precieze blauwdruk hebben ontvangen. 3)
1) Dr Herman Ridderbos. Paulus. Ie dr. pag. 304. Over ons vraagstuk par. 45 en 46.
2) Wel dient het voorbehoud gemaakt dat men geen nieuwe wetten opricht om God daardoor te dienen en dl: gewetens te binden. Het moet daarbij steeds gaan om de eendracht te bewaren. Beide, Luther en Calvijn, wijzen hierop met grote nadruk, zie ook N.G.B. art. 32 en daarover ds C. Vonk. De Voorzeide Leer, IIIb. pag. 17-181.
3) Dr C. G. Berkouwer, De zonde. J. pag. 169.