Met alle heiligen ...
1977-04-15
Beste Marja, - Jaargang 21
- nummer 15
Ik wil nog even doorpraten met je over de verdeeldheid van de gelovigen. De vorige keer schreef ik al, dat God die verdeeldheid niet wil. Als ik dat zo zeg, dan betekent dat ook dat de oorzaak van de verdeeldheid moet worden gezocht bij de mensen. En om het nog wat duidelijker te zeggen: de verdeeldheid is een gevolg van de onverdraagzaamheid van de gelovigen, een onverdraagzaamheid die polariserend heeft gewerkt.
De band van de gelovigen dient zo groot te zijn, dat verschillen van mening overbrugd kunnen worden, tenzij het Woord van God echt in het geding is, tenzij van iemand gezegd moet worden dat hij zich metterdaad niet wil buigen voor het Woord van God.
In Psalm 119 zegt David: "Ik ben een metgezel van allen die U vrezen ..."
Maar vandaag lopen velen die God vrezen langs elkaar heen en tegen elkaar in. Dat betekent dat we ons als gelovigen steeds weer moeten afvragen of we wel écht vrezen. God vrezen betekent immers meteen de gemeenschap zoeken met de ander die God óók vreest.
Je moet Romeinen 14 eens lezen. "Want niemand onzer leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf; want als wij leven. het is voor de Here, en als wij sterven, wij zijn des Heren. Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij èn over doden èn over levenden heerschappij voeren zou."
Dit zijn bekende woorden, woorden van troost en bemoediging. Maar is het je wel eens opgevallen, dat Paulus direkt daarna zegt: "Gij echter, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat minacht gij uw broeder?"
Dat lijkt een hele "sprong" van Paulus: van het leven en sterven met Christus náár het voorzichtig met de ander omgaan.
Voor Paulus ligt het echter op één lijn. Leven en sterven met de Heer betekent ook leven en (misschien) sterven met de ander. Dat Christus heerschappij voert over levenden, betekent ook dat die levenden naar elkaar omzien, met elkaar omgaan, elkaar vasthouden ...
De kerkelijke verdeeldheid laat wel heel duidelijk zien, dat de gelovigen elkaar niet hebben kunnen vasthouden, terwijl Christus ieder wèl vasthoudt. Daar ligt een stuk onverdraagzaamheid achter, een stuk "de ander niet uitnemender achten dan je zelf".
Over die liefde van de gelovigen voor elkaar staat de bijbel vol. De Here Jezus heeft er op gewezen toen hij met zijn discipelen het avondmaal ging houden (Lukas 22 : 24-38), "En als gij tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broeders." (vs. 32). De Here Jezus is de dood voor ons ingegaan om ons te leren wat dienen is.
Dienen!
Dienen is dit, dat de liefde het wint van de onverdraagzaamheid.
Dienen is dit, dat de één de ander niet verstoot.
Dienen is dit, dat je elkaar bij allerlei verschillen biddend vindt.
Dienen is dit, dat je het erkent dat de grote blijdschap die mèt de Here Jezus op deze wereld kwam (Lukas 2 : 10) er is voor "heel het volk".
Voor allen!
En zó kon Jezus avondmaal vieren met Petrus, die Hem zou verloochenen, en met Judas, die Hem zou verraden.
Dát is tolerantie.
Dát is verdraagzaamheid.
Dát is je-dienend-geven.
Ja, dat is alles.
In een gesprek dat ik pas had met wat jongelui uit "binnen- èn buitenverbandse kerken" heb ik gezegd: "Misschien kan jullie generatie de breuken herstellen die de vorige generatie heeft gemaakt."
Misschien.
't Zal niet gemakkelijk zijn. Want breuken helen is moedijker dan breuken maken, God echter kan veel meer doen dan wij bidden of beseffen (Ef. 3 : 20).
"Hem nu die in ons werkt en ons geleidt, die verder gaat dan al ons bidden reikt en meer is dan ons diepste denken peilt.
zij heerlijkheid en glorie ... " (Lied 95 Liedboek) Als zó aan weerszijden van de breuklijn God wordt gevreesd, zullen velen elkaar misschien weer vinden.
Dàn gaan we weer naar elkaar kijken, zoals Jezus naar Petrus keek, toen deze Hem verloochende.
"En de Here keerde Zich om en zag Petrus aan ... "
Elkaar zó aankïjken! Als we denken dat de ander het verkeerd doet.
Als we menen dat de ander verkeerd denkt.
Elkaar áánkijken, niet op elkaar néér kijken.
Marja, nog één ding.
Er kan veel verdriet zijn om de verdeeldheid.
Eén troost: ook deze tranen zullen straks worden uitgewist.
Nogmaals van harte gegroet,
je P. C. van Wijk