Over de "onsterfelijkheid der ziel" *) 2)
1977-04-29
- Jaargang 21
- nummer 17
Het kwaad dat ik signaleerde vindt men reeds in ernstige mate bij Ursinus.
Ik noem hem, omdat hij een leerling van Calvijn en een van de voornaamste opstellers van onze catechismus is geweest.
Ik zou heel veel symptomen van de infiltratie van de scholastiek kunnen noemen in diens "Schatboek". Dat is in het boek waarin zijn colleges over de catechismus werden afgedrukt.
In verband met de kwestie waarmee we ons bezig houden ga ik op één symptoom ervan nader in.
En wel op wat hij zegt over de mens. De invloed van de scholastiek heeft zich namelijk in de gereformeerde theologie vooral in de mensbeschouwing laten gelden. Zelfs bij de reformatoren is die nog duidelijk te bespeuren.
Daarin zijn ze nog niet ten volle tot een terugkeer naar de Schriften gekomen.
Ursinus zegt nu b.v. dat de "ziel" van de mens de "forma substientielis", de "substantiële vorm" van het lichaam is!
Dat is een pure gedachteconstructie! Een gefingeerd begrip waaraan geen werkelijkheid beantwoordt.
Dat begrip "substantiële vorm" is zonder meer overgenomen door de scholastiek-orthodoxe gereformeerde theologen uit de theorie van de griekse filosoof Aristoteles overgenomen. 4) Als gevolg van deze overname van dat begrip forma substentielis werd de ziel door Ursinus en andere geref. theologen getypeerd als een substantie.
Maar wat betekent dat woord substantie?
Er werd o.a. onder verstaan "een zelfstandig iets dat door en in zichzelf bestaat". 4) Wat later -- door Descartes werd een substantie omschreven als "iets dat zo bestaat dat het niets anders nodig heeft om te bestaan." 5) Die "zielesubstantie" zo leerden die theologen verder, bezit een aantal wezenlijke "natuurlijke" "eigenschappen", zoals "eenheid", "geestelijkheid", "onzichtbaarheid", “onontbindbaarheid", "eenvoudigheid" , "onoplosbaarheid" en zo ook "onsterfelijkheid".
Ik wil er nu alle nadruk op leggen, dat deze door de scholastiek geïnfecteerde theologen op deze wijze de “substantialiteit" van de ziel leerden. En dat ze de “onsterfelijkheid" van deze substantiële ziel als een van haar "natuurlijke eigenschappen" opvatten.
Om er iets van te doen beseffen hoe deze theologen over die ziel en het leven ervan dachten zal ik een stuk citeren uit de verklaring van Zondag 22 zoals die door Ursinus in zijn genoemde kommentaal' op de Heidelbergse Catechismus wordt gegeven. Zoals men lezen kan ontleent hij daarbij zijn wijsheid aan "de filosofie".
Hoor maar! "Het leven, aldus Ursinus, wordt bij de Filosofen verscheydenrlyk genomen: want het wordt aan vele verscheyde dingen toegeschreven. In 't gemeen ten aanzien dat het Gode, de Engelen, de Zielen, en de planten wordt toegeëigend, is het leven, eygentlyk het wesen des levenden: want de geesten leven ook, maar dit hebbense met van de Zielen, maar van haar wezen.
In de levendige of gezielde dieren 6) is het leven eygentlyk het wesen, van 't gene dat levendig gestelt is, het welk anders niet is, dan een levendiqe Ziel in zig te hebben: want de ziel is het gene waar door een dier leeft. of het is de wesentlyke gestalte des levens, door welke alle dieren leven.
Boven dien wort het leven genomen voor het wesen en de werkinqe des wesens, of voor het leven zelfs, en voor de werkinge des genen die leeft: zo wordt het dan volkomen beschreven.
Het leven eens levendiqen Diers, het bestaan of blyven der Ziele in een gezielt lighaam, en de werkinge eens levenden Diers.
Of: het is een gestadige beweging der Ziele, voortbrengende de werkingen, die een levendlig Dier eyqen zyn.
Of, ten laatste; het is een bequaamheid eens levendigen Diers, om werkingen voort te brengen, die het zelve eygen zyn; en het is ook de werking zelve, voortkomend uyt der ziele des lichaams.
Dit schreef Ursinus o.a. ter verklaring wat het leven is, ook wat het leven der ziel is.
Wie het vatten kan, die vatte het.
Ik kan het niet!
Het pure "filosofie", loos begrippenspel.
Nu moet men zich een jong predikant voorstellen die zich serieus voorbereidt voor zijn catechismuspreek over Zondag 22.
Het spreekt dan wel als van zelf dat hij vóór alles nagaat wat de opsteller daarvan heeft gezegd.
En dan leest hij zo iets als het bovenstaande! En er zou nog veel meer van dit soort “verklaring van Zondag 22" zijn te citeren.
Is het te verwonderen dat hij dan volkomen de kluts kwijt raakt?
En dat hij zich afvraagt: is dit nu Schriftuurlijk spreken? Is dit nu gereformeerd? Moet de gemeente met dit soort kost worden gevoed?
Ik kan me nog heel goed herinneren dat ik in de pastorie van Harkstede met de problemen over de "ziel" de "dood", het "sterven" , "onsterfelijkheid" e.a. bezig was, Vooral ook met dat van de "onsterfelijkheid" .
Ik heb toen mijn "Trommius" genomen -- de bekende concordans op de bijbel. Daaruit bleek me dat het woord "onsterfelijkheid maar twee maal in de bijbel voorkomt.
Beide keren in het Nieuwe Testament.
In het grieks is dat athanasia. Dat woord klinkt tegenwoordig ieder bekend in de oren. Want men weet nu wat euthanasie betekent.
Het is een “goede, schone dood".
Men wil die euthanasie toepassen op ongeneeslijke zieken. Athenesia is nu het-niet-kunnen-sterven: het is onsterfelijkheid.
Zoals ik zei komt het tweemaal in het N.T. voor. In de eerste plaats ten aanzien van God. In 1 Tim. 5 : 16 leest men, dat God is de Heere der Heren, die alleen ethenasie bezit. En voorts vindt men het in 1 Kor. 15: 53, waar we lezen: Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet athanasia aandoen.
Als je zulke teksten leest is natuurlijk helt eerste wat je moet doen een betrouwbaar woordenboek opslaan om precies te weten te komen wat dat woord ethenesia betekent.
In die tijd was het woordenboek op het Nieuwe Testament dat van de "bijbel-getrouwe" theoloog Hermann Cremer. Daarin vond ik dat het woord athanasia het eerst voorkomt bij de grote griekse filosoof Plato. Die gebruikte het als aanduiding van een "eijgenschap" van de (af)goden.
Later werd het door hem ook gebruikt ter aanduiding van de "onsterfelijkheid" van de ziel in de zin van een blijvende existentie,
een blijvend voortbestaan daarvan.
"Voor de nieuwtestamentische en ook voor de oudtestamentische visie - zo schrijft Cremer verder - paste dit begrip niet en kon náást het positieve "leven" ook niet worden gebruikt." Daarom vindt men het ook niet in de LXX. de Septuagint de griekse vertaling van het Oude Testament, daar het woord niet het leven zelf maar alleen formeel een kwaliteit, een eigenschap, aanduidt.
In het gebruik van ethenesia in 1 Kor. 15: 53 kan men makkelijk het verschil onderkennen tussen de heidense, griekse,
placonische, opvatting van de aan de ziel toegeschreven “natuurlijke"
onsterfelijkheid èn de leer van de bijbel. De onsterfelijkheid "is voor Paulus alleen GEGEVEN in de vorm van en op grond van de OPSTANDING uit de doden, derhalve in de samenhang met een LICHAMELIJKE toestand. Dáárop valt de nadruk (vergelijk de uitdrukking "aandoen" van de onsterfelijkheid)."
Het is niet toevallig, dat de LXX (de Septuagint) en het N.T. zo weinig van onsterfelijkheid weten te zeggen. en hoofdzakelijk alleen de grieks beïnvloede apokriefen daarvan spreken. De bijbelse opvatting kent de idee van een onsterfelijkheid van de ziel als een haar eigene kwaliteit, d.w.z. als een bloot voortbestaan der ziel als zodanig in het geheel niet.
"Daarin toont zich voornamelijk duidelijk de tegenstelling tussen de bijbelse en de griekse wereldbeschouwing.
"
Tot zover Hermann Cremer.
4) "in se esse"; "per se esse".
5) “res quae ita existit, ut nutla de indigeat ad existendum."
6) Men moet dit woord "dier" (animal) opvatten als "levende wezen", de mens is ook zo'n "animal".