VERGETEN
1977-05-06
Ezechiël 22: 1-16- Jaargang 21
- nummer 18
Koning Nebukadnezar stond op een driesprong, bij een handwijzer.
Vóór hem liep links de weg naar Rabba en rechts lag de weg naar Jeruzalem. Het lot viel op Jeruzalem. Dat vertelt Ezechiël 21. En dan kun je in het volgende hoofdstuk de val van Jeruzalem verwachten. Maar zo haastig is de Bijbel niet. De aankondiging van de val van Jeruzalem komt in hoofdstuk 24. En het bericht "De stad is gevallen!" horen we pas in hoofdstuk 33.
God oordeelt zijn volk niet zonder vorm van proces. Heeft Hij niet een twistzaak, een rechtszaak met zijn volk? En bij een rechtszaak wordt eerst het vonnis geveild en pas daarna de straf voltrokken. Ezechiël moet de uitspraak van de hoogste Rechter overbrengen. Hij zegt: Het Woord des HEREN kwam tot mij: Gij mensenkind, wilt gij richten, wilt gij richten de bloedstad?
Ezechiël moet het vonnis bekend maken. De vraag: "Wilt gij richten, wilt gij richten?" laat hem geen keus. God houdt aan de bloedstad de schuld voor, die ze op zich geladen heeft. Dit is het vonnis over Jeruzalem.
Ezechiël moet zeggen: Zo zegt de Here Jahwèh: O stad, die in haar midden bloed vergiet, zodat haar tijd komt, en die zich afgoden maakt om zich te verontreinigen; door helt bloed dat bij vergiet, zijt gij schuldig: door de afgoden die gij maakt. zijt gij onrein; gij hebt uw dagen nabij gebracht en de grens van uw jaren bereikt.
Het oordeel van de HERE over Jeruzalem is scherp. Wat een andere profeet, Nahum, de Assyrische hoofdstad Ninevé moest toeroepen. dat het een bloedstad was, dat krijgt Jeruzalem hier te horen.
Wat heeft Jeruzalem misdaan?
Heel veel. Ezechiël noemt allerlei zonden en hij besluit die opsomming met de indrukwekkende woorden uit vers 12: Mij vergeet gij. luidt het woord van de Here Jahwèh. In het volgende hoofdstuk horen we de HERE dit nog eens zeggen: ge hebt Mij vergeten en Mij achter uw rug geworpen.
Maar eerst wordt de aanklacht kort geformuleerd (vers 3-5).
Daarna wordt de eeuwenlang opgestapelde schuld in bijzonderheden getekend (vers 6-16). En dan horen we van het smeltingsproces dat over Juda zal komen.
Daarvan lezen we in het stuk dat met vers 17 begint.
Jeruzalem is vol van wanorde! De strijdende partijen hebben Juda tot een twistappel gemaakt. Het zoekt hulp bij Egypte en bij Babel. Het kijkt naar links en naar rechts. maar niet naar bóven.
Het heeft de HERE vergeten.
Het verontreinigde zich met afgoden en het bedreigde het leven van medemensen, Tussen de afkeer van God en de verdrukking van de naaste bestaat een verband. Dat kon Juda weten uit de Thora. uit het onderwijs dat de HERE door de dienst van Mozes gegeven had. Helemaal in het begin van het prachtige boek Deuteronomium, in 1 : 17, lezen we het al: Gij zult in de rechtspraak de persoon niet aanzien: gij zult de onaanzienlijke evenzeer horen als de aanzienlijke: gij zult voor niemand vreten. want de rechtspraak is van God.
Maar hoe ging het toe in Jeruzalem?
U leest het in vers 12: En u neemt men geschenken aan om bloed te vergieten: rente en woekerwinst neemt ge en met geweld zet ge uw naaste af.
Jeruzalem was schuldig.
Dat was ook onrein. Door de afgoden die het maakte, was het onrein.
Jeruzalem was als een jonge vrouw die op haar schoonheid vertrouwde (hfdst. 16).
Wat was de zonde van Jeruzalem?
We lezen in vers 6: Zie, de vorsten van Israël zijn er op uit zoveel mogelijk onschuldig bloed te vergieten. Dit bloedvergieten brengt met zich mee, dat het einde onherroepelijk komt.
En dat is nog niet alles. Eens hadden de twaalf stammen bij de bergen Ebal en Gerizim gestaan (Deut. 27). Zes stammen stonden aan de kant van de Gerizim en zes stammen aan de kant van de Ebal. De twaalf stammen. het hele volk Israël, waren daar. En daar hebben de stammen Amen gezegd op de vervloekingen die werden uitgesproken over allerlei geheime zonden, over kwaad dat in het verborgen gepleegd zou worden, niet bekend bij het brede publiek.
Zulk kwaad woekert nu in Jeruzalem voort als taai onkruid. "In u veracht men vader en moeder, in u doet men de vreemdeling geweld aan, bij u onderdrukt men de wees en de weduwe."
Israël had barmhartigheid moeten bewijzen. Zelfs aan weggelopen slaven (Deut. 23 : 15-16).
Heel de Thora is vol van de prediking. dat de HERE barmhartig is en dat Hij graag ziet hoe zijn eigen volk barmhartigheid bewijst. Israël moest gedenken dat het in Egypte een slavenvolk was geweest (Deut. 16 : 12). Daarom moest Israël het Pinksterfeest vieren met de Leviet, de vreemdeling, de weduwe en de wees.
Maar nu gebeurt in Jeruzalem aldus wat de HERE haat, waar God een diepe afkeer van heeft.
Hoe kon het zover komen?
Hoe het zo ver kan komen met Gods eigen stad, met Gods eigen volk, dat Ieren we uit het 12e vers: "Mij vergeet gij, luidt het Woord van de Here Jahwèh." Jeruzalem dacht niet meer aan de HERE.
Jeruzalem vergrat de HERE.
Over dat vergeten spreken ook Hosea en Jeremia. En we lezen er al van in Deut. 6: Neem u er voor in acht, dat gij de HERE niet vergeet, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heeft.
Als het Verbondsvolk de HERE vergeet, zullen alle mogelijke zonden uitbreken. Zo is het gegaan in het Rijk van de Tien Stammen. In het boek Hosea klaagt de HERE: Mijn volk vergat Mij. Israël heeft zijn Maker vergeten. Waar liep het toen op uit? Vloeken, liegen, moorden, stelen en echtbreken. En elkaar verdrukken (Amos). Zo is het ook in het zuiden gegaan. in Juda en Jeruzalem. In de tempel. In de kerk.
Zo kan het nog. Mooie liturgie en knappe theologie kunnen het vergeten van de HERE camoufleren.
De profeten openen ons oog voor de mogelijkheid in de uitverkoren stad te wonen en voor Gods aangezicht te staan en te denken daar veiligheid te vinden.
terwijl we in de praktijk tonen de HERE vergeten te hebben.
God vergeten, dat is maar niet een kwestie van een zwak geheugen, dat is God en zijn Woord negeren. Dat bedoelt de Schrift zo vaak ze spreekt over het vergeten van de HERE: Hem negeren, met rekenen met zijn wil, niet denken aan zijn Woord.
We horen vandaag veel klachten over criminaliteit, over onrecht, over huwelijksontrouw. Maar de diepste oorzaak is het vergeten van de HERE. Daar hoor je veel minder over, maar daar ligt de wortel van de ellende. Een volk, dat de bede uit de Troonrede geschrapt heeft, een gedoopte niets goeds te verwachten. Een natie die niet meer denkt aan het verbond met de HERE heeft Verbondsvolk dat God vergeet kan geen stand houden.
Dan baat godsdienstigheid niet.
In Jeruzalem slachtten ze hun zonen voor de afgoden en op dezelfde dag bezochten ze de tempel van de HERE (Ezech. 23: 39).
Als Gods volk de HERE vergeet, komt alle slechtheid uit het mensenhart naar buiten.
Als wij de levende God vergeten, Hem negeren, dan trappen we Hem op zijn Vaderhart.
Ais we de HERE vrezen, kennen we dan geen ogenblikken, geen dagen, waarin we niet aan Hem dachten, maar onze eigen boze zin deden?
Er is voor al die zonden vergeving.
Want de HERE is barmhartig.
Er is verlossing in het bloed van Christus.
Vergeet niet een van zijn weldaden!