Over "de onsterfelijkheid der ziel" (3)

1977-05-06
  • Jaargang 21
  • nummer 18
Deze klare uiteenzetting van Hermann Cremer over de betekenis van athanasia bracht mij een stuk verder.
Het stond van toen af voor mij vast dat de onsterfelijkheid opgevat als een kwaliteit. een blijvende eigenschap der ziel een heidens begrijp is. En dat de bijbel spreekt van een onsterfelijkheid van de GEHELE mens die de GELOVIGEN, en alléén zij, ontvangen, "aandoen" bij de wederkomst van Christus, bij de wederopstanding der doden.
Deze opvatting van de “onsterfelijkheid” is, voor zover ik weet, door de "vrijgemaakten" algemeen aanvaard.
lk heb er vele malen over geschreven en gesproken. En als ik op bovenstaande wijze deze term duidelijk uitlegde heb ik nooit tegenspraak ondervonden.
Ze werd, zoals ik later merkte en nog nader zal aantonen ook door andere jongere gereformeerde theologen van harte gedeeld.
Laat ik ter nadere illustratie van wat Ik tot dusver betoogde hier nog wijzen op wat dertig jaar nadat ik over de idee van onsterflijkheid aan het tobben was, prof. Jager over 1 Kor. 15: 53 schreef.
Hij merkt daarbij eerst op dat het in dat woord van Paulus gaat over de gelovigen. Over het lot der goddelozen spreekt hij daar niet. Voor zover de gelovig,en de wederkomst van Christus beleven zullen zij een verandering ondergaan.
"Nu reeds is er een verandering van de mens-binnen. Maar dán zal ook het lichaam verheerlijkt worden, vgl. 2 Kor. 3: 18.
Fil. 3: 21." Dat is noodzakelijk, "omdat het verderfelijke het onverderfelijke niet kan beërven.
Het is noodzakelijk naar Goddelijk bestel. Dit verderfelijke moet onverderfelijkheid als een kleed aantrekken en dit sterfelijke lichaam zich bekleden met onsterfelijkheid."
Prof. Jager waarschuwt dan voor de nieuwsgierigheid die speculeren wil over de wijze waarop dit "bekleden" van het sterfelijk lichaam met onsterfelijkheid zal plaats vinden en zegt dan letterlijk: "Van een onsterfelijke ziel weet Paulus en de Schrift niet.
Van natuurlijke onsterfelijkheid wil hij evenmin weten. Gold geeft onsterfelijkheid en onverderfelijkheid aan hen, die door het geloof deel hebben aan Christus die leeft tot in eeuwigheid."

Tot zover prof. Jager.

De onduidelijkheid, het misverstand dat er ten aanzien van het begrip "onsterfelijkheid" ontstond vindt één van zijn oorzaken in het niet scherp onderscheiden tussen "onsterfelijkheid" en “onvernietigbaarheid" van de mens.
Het is een schriftuurlijke waarheid van de eerste orde dat een mens onvernietigbaar is.
Dat is een aangrijpende gedachte.
Als ik een pas geboren kind zie komt altijd de gedachte daaraan bij mij op! Dat pas op de wereld verschenen wezentje zal nooit uit Gods wereld verdwijnen, het kan daaruit niet worden geannuleerd, het blijft eeuwig bestaan!
Maar - en dat is iets waaraan we te weinig denken - dat "bestaan" is van nature een “doodsbestaan".
Alle mensen worden volgens de Heilige Schrift als “doden" geboren en ze blijven, als er geen wonder met hen gebeurt. tot in eeuwigheid “doden".
De bijbel spreekt in deze duidelijke taal. Paulus schrijft nadrukkelijk dat de gelovigen eertijds, vóór ze tot het geloof kwamen, “dood" waren door de misdaden en de zonden. En dat God, hoewel wij "dood" waren door de overtredingen ons, d.w.z. de gelovigen, levend gemaakt heeft. (Ef. 2 : 1. 3) . En hetzelfde schrijft Paulus ook in de brief aan de Colossenzen. "Ook u - zo lezen we daar - heeft Hij (namelijk God) , hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem (namelijk Christus), toen Hij al onze overtredingen kwijtschold." (2: 13).
Volgens de Schrift worden dus alle mensen 'als "daden" geboren en - als ze niet met Christus worden levend gemaakt - blijven ze doden. Ze groeien op als “doden". Ze werken, trouwen, krijgen kinderen als “doden". En keren ten slotte als doden weer tot stof, geven de geest, blazen de laatste adem uit en worden als "doden" begraven.
En dán zijn en blijven ze "doden" tot in eeuwigheid! Tussen hun "sterven" en de wederkomst van Christus als lichaamloze "doden".
En daarna breekt voor hen de laatste fase van het dood -zijn aan. Zij komen dan als mensen-met-een-lichaam in de buitenste duisternis waar wening is en knersing der tanden. Daar en dan is de dood in zijn definitieve, onvoorstelbaar verschrikkelijke fase gekomen. Hij is dan voleind.
Wanneer we dit alles goed hebben verstaan begrijpen wij dat er voor hen die niet verlost zijn door het bloed van Christus en levend gemaakt door zijn Geest van "onsterfelijkheid" eenvoudig geen sprake kan zijn. Zij “sterven" alle dagen en gaan van dood tot dood steeds voort tot dat hun doodzijn bij Christus' wederkomst volkomen wordt. 7)

Wanneer we dit alles hebben overwogen komt van zelf de vraag bij ons op: wat is nu eigenlijk de dood van een mens?
De situatie is zo dat we bij het denken en spreken over de dood, ik mag wel zeggen, bijna altijd, alleen het oog hebben op het "sterven". Of, om het in de taal van de Schrift te zeggen, op "het geven van de geest", het “weerkeren tot het stof", het “vermeld worden tot het voorgeslacht".
Of, zoals wij zeggen: "het uitblazen van de laatste adem," het "overlijden".
In feite is dit heel erg oppervlakkig.
Want zoals we nog zien zullen: het sterven, het beëindigen van ons aardse leven. i's niet meer dan een bijverschijnsel van de dood.
Het wezenlijke van de dood is namelijk dat de goede verhouding. de "gemeenschap" tussen God en de mensen verbroken wordt, verbroken is. Of, om het anders te zeggen: dat ze in staat van vijandschap ten opzichte van God verkeren. In Rom. 5 spreekt Paulus ervan dat de gelovigen, vóór zij tot het geloof kwamen. "vijanden" van God waren. Dát is hetzelfde als dood zijn.
Deze breuk van de gemeenschap met God, dus deze eigenlijke dood, heeft katastrofale gevolgen voor héél het mensenleven. Want ten gevolge van de verbroken gemeenschap met God worden ook de verhoudingen tussen de mensen kapot gemaakt. Onbegrip, wantrouwen, jaloersheid, egoïsme, zelfzucht, haat en vijandschap tussen de mensen onderling zijn uitsluitend en alleen het gevolg van de verbroken verhouding met God. Ze zijn alle secundaire doodsverschijnselen!
Maar ook hiermee is nog niet alles over de dood gezegd. Daardoor is namelijk ook de verhouding tussen de mens en de helm omringende "natuur" ontwricht.
De aarde brengt dorens en distels voort. De mensen moeten in “het zweet huns aanschijns" zwoegen om brood te kunnen eten. Wilde dieren, grote en kleine (bacillen!) bedreigen de mens.
Er komen aardbevingen, overstromingen en allerlei natuurrampen.
Meer dan ooit worden we nu geconfronteerd met milieu- en zeevervuiling, ontbossing, energietekorten en andere verschrikkingen van de "natuur". Deze laatste verschijnselen zijn het werk, het slechte en dwaze werk van de mensen. De mensen dragen daarin hun dood -zijn op de "natuur" over - met als resultaat dat hun eigen dood-zijn daardoor steeds wordt verergerd.
En zelfs dit is nog niet alles! Ook in de mens werkt de dood door.
Er is algemeen een steeds erger wordende innerlijke destructie van het geestelijke leven, onvrede, onrust, angst, wanhoop tot walging toe maakt het leven van de mensen vaak tot een verschrikking, soms tot een hel.
De vernietiging van de verticale relatie-van-liefde-en-vrede-met- God, die het essentiële moment van de dood is, heeft zo ten gevolge de verstoring van de horizontale relaties tussen de mensen onderling, de mensen en de natuur en het innerlijke leven van de mensen.

Maar hoe verschrikkelijk dit alles ook is, hiermee zijn we nóg niet tot het laatste en meest gruwelijke en angstaanjagende van het raadsel van de dood doorgedrongen.
Dat gebeurt pas als wij geloven en verstaan dat wij in de dood te doen hebben met het werk, het "geweld", het "wapen" van de duivel, van Satan! De dood is zelfs zijn meest verwoestende en meest afschuwelijke werk, van de duivel, de "diabolos" wiens eigenlijke werk het is alle relaties, verhoudingen, gemeenschappen in de wereld kapot te maken.
De Schrift spreekt daarover in de brief aan de Hebreeën. Daarin lezen we namelijk dat de duivel de "macht", beter gezegd: het "geweld" van de dood bezit. Zeker, dat staat in een heerlijke context. Deze namelijk, dat daar de kinderen van God deel hebben aan bloed en vlees ook Christus op gelijke wijze daaraan deel heeft gekregen, opdat Hij door zijn dood hem “die het geweld van de dood had, namelijk de duivel" zou onttronen en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren. (2: 14, 15) .


7) het "sterven", het "dood-zijn". vooronderstelt dus het "bestaan". Dood-gaan is niet vernietigd worden. Om te kunnen sterven, om te kunnen dood-gaan, moet een mens juist bestaan. En ná gestorven te zijn en dood te zijn gegaan blijft een mens voortbestaan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief