Mensen behagen
1976-08-13
Het .graag in de gunst van mensen willen staan, is in het leven van ons christenen een grote verzoeking.- Jaargang 20
- nummer 31
De Heer Jezus heeft er zijn discipelen met nadruk voor gewaarschuwd. Wee u, als al de mensen wel van u spreken! Houden we in het kerkelijke leven met deze waarschuwing wel voldoende rekening? Laat ik eens enkele dingen noemen.
Wij zijn in de gemeente geroepen medebroeders en zusters, die van de waarheid dreigen af te wijken of zich niet onbesmet bewaren van de wereld, in liefde te vermanen. Wij weten dat zulk een vermanend woord niet altijd in goede aarde valt. Om de lieve vrede, om de vriendschappelijke verhoudingen te bewaren, en om eventuele moeilijkheden te voorkomen, laat men zich van zijn broederplicht terughouden. Men blijft graag in de gust. De broeder of zuster mocht het ons eens kwalijk nemen. Maar dan heb:ben we de eer van mensen toch liever dan de eer van God. Zo kan het ook bij de ambtsdragers en voorgangers in de kerk zijn. Als deze vergeten, dat zij geen dienaars van mensen maar van Christus zijn, komen ze gemakkelijk in de verleiding om de mensen naar de ogen te zien, in plaats van zich af te vragen: wat vraagt de Here van mij? Men is graag de gevierde dominee, de altijd vriendelijke ouderling of de weldoende diaken. Daarom liever geen moeilijkheden. Daarom maar wat meer zwijgen.
Heel het gemeentelijk Leven kan door de zucht om mensen te behagen ontaarden. Als men de vrede lief heeft ten koste van de waarheid. Als men meent dat er in de kerk van Christus geen kwesties behoeven voor te komen en dat, als het in een bepaalde gemeente niet goed gaat, de schuld altijd bij de voorganger ligt.
Wij leren dat uit de brieven van Paulus en Johannes wel anders. Van deze dienaars van Christus is ondanks hun trouwe bediening vaak heel veel kwaad gesproken. Toch waren zij er allerminst op uit om mensen te behagen. In hun prediking niet en in hun ambtelijke vermaningen niet. Zij waren niet uit op de gunst van mensen maar op ambtelijke betrouwbaarheid. Vandaar dat Paulus in 1 Cor. 4 : 3, 4 schrijven kon: 'Hoe u of een andere menselijke instantie mij nu beoordeelt, raakt me maar weinig. Ik oordeel niet eens mijzelf.
Wel ben ik me van geen kwaad bewust, maar dat bewijst niet dat ik onschuldig ben. Het is de Heer die mij oordeelt'.