Geven langs duizend wegen

2005-01-14
  • Jaargang 49
  • nummer 1
Het centrum van de aardbeving lag weliswaar op de bodem van de oceaan, maar de gevolgen aan land bleken desastreus. Zondagmorgen, tweede kerstdag, had Marnix Niemeijer, directeur van TEAR fund Nederland al de eerste aanwijzingen, dat de ramp in Azië wel eens heel groot zou kunnen zijn. Diezelfde avond kwamen de samenwerkende hulporganisaties (SHO) uit de sluimerstand en TEAR fund is er één van.

Het is de dag vóór de grote landelijke televisie-actie als ik Marnix Niemeijer, directeur van TEAR Fund spreek. Het zijn hectische tijden, met veel geregel en contacten over alle mogelijk grenzen: SHO, Prisma, een internationaal consortium met de naam ‘Integral’, locale partners in India. Gaandeweg het gesprek geeft Niemeijer al die namen en afkortingen een plekje.

Breed platform
Het eerste wat opvalt is, dat TEAR fund zich naast het Rode Kruis, Artsen zonder grenzen en Novib heeft genesteld in het grote verband van SHO. En dat terwijl TEAR fund in Nederland niet eens de grootste christelijke hulporganisatie in evangelisch / reformatorisch Nederland is. Niemeijer legt dat uit: ‘Je moet daarvoor terug naar 1983, toen de hulporganisaties voor het eerst hun krachten bundelden bij de actie ‘Eén voor Afrika’. Mensen als Jan van Barneveld en Otto de Bruijne waren in die tijd de gezichten van TEAR fund en raakten bij deze landelijke actie betrokken. Dat was opmerkelijk, omdat in die tijd de orthodoxchristelijke hulporganisaties tamelijk gesloten waren en gericht op de eigen achterban. De lijn van De Bruijne en Van Barneveld was dus anders. Ze wilden juist in zo’n breed landelijk gebeuren acte de présence geven. Om zo in de confrontatie met een grote nood elders, als orthodox-christelijke organisatie de verbondenheid te laten blijken met alle gevende Nederlanders.’ Het bleek, dat op zulke momenten ook veel Nederlandse christenen in die geest wilden geven: even niet vanuit de eigen kring, maar samen met ieder die goed doet’. Deze gezamenlijke actie in 1983 bleek zo effectief te werken, dat de hulporganisaties elkaar een paar jaar later vonden in een formule, waarbij ze op elk gewenst moment als SHO (met gironummer 555) tot actie konden overgaan.

Twee sporen
Wordt zo’n actie gestart, dan verplichten de gezamenlijke hulporganisaties zich om de eigen fondswerving voor dat doel te staken. Voor TEAR fund ligt dat dus anders dan voor christelijke organisaties als ZOA en ‘Redt een kind’, die wel hun eigen acties hebben. Marnix Niemeijer ervaart daarin geen concurrentie. ‘Je hebt in de christelijke hulpverlening altijd die twee kanten. Dat je vanuit je eigenheid diaconale hulp biedt, waarin ook het christelijk eigene sterker naar voren kan komen. Aan de andere kant heeft het iets moois om in het brede front van de hulpverlening ook vanuit christelijke kring inbreng te leveren. Dat heeft iets van twee sporen, maar misschien zijn ze wel allebei nodig om ‘elkaar scherp te houden.’ Niemeijer vindt om die reden zowel de contacten binnen Prisma (verband van christelijke hulporganisaties in Nederland) als de contacten binnen SHO waardevol. Binnen SHO kan b.v. zichtbaar worden dat ook orthodoxe christenen uit één stuk aan hulpverlening kunnen doen en niet als middel voor één of ander missionair doel.

Hulpketens
Een hamvraag is natuurlijk: hoe gaat het verder met al dat ingezamelde geld? De directeur van TEAR fund denkt vooral in termen van hulpketens. TEAR fund is, zoals vele hulporganisaties, ‘non operational’ - wat wil zeggen dat het eigenlijke werk ter plaatse altijd door locale partnerorganisaties gebeurt. Maar de eerste schakel van de keten ligt natuurlijk wel hier bij de gever. En dan loopt het via SHO en TEAR fund via tal van netwerken. ‘In de eerste plaats zijn dat de bestaande contacten met de partners ter plaatse,’ vertelt Niemeijer. ‘TEAR fund heeft ruim 80 partners in 33 verschillende landen. Met de partners in India b.v. is direct na de zeebeving contact gezocht. Zij krijgen vervolgens de nodige financiële steun, zodat ze ‘ter plekke hulp kunnen bieden.’ De TEAR fund directeur wijst vervolgens op een tweede lijn, die via Nederlandse zusterorganisaties loopt, zoals bijvoorbeeld richting ZOA. Niemeijer: ‘ZOA werkt zelf op Sri Lanka en werkt daar ook samen met locale partners. Door een verbinding te maken met ZOA kunnen we zo organisaties op locatie ondersteunen. In zekere zin raken we op zo’n moment aangesloten op het netwerk van ZOA. En zo werkt het ook in de derde keten. Dan gaat het om een internationaal consortium van christelijke signatuur ‘Integral’. Daarbij zijn onder andere Amerikaanse, Canadese, Engelse en Scandinavische hulporganisaties aangesloten. Langs die weg kun je weer de netwerken van al die organisaties met hun partners benutten om de hulp op de goede plek te krijgen.

Geestverwante aanpak
Niemeijer benadrukt dat het belangrijk is om met je partners te werken vanuit eenzelfde visie en visie op hulpverlening.
‘Als wij als TEAR fund hulp bieden, dan doen wij dat via locale christelijke organisaties die hulp verlenen aan mensen in nood ongeacht ras, sociale afkomst, sexe of godsdienst. Op zo’n punt moet je met je partners wel op één lijn zitten.
Datzelfde geldt ook in de samenwerking met andere westerse hulpverleningsorganisaties, zoals binnen ‘Integral’.
Maar daar liggen dan ook goede afspraken met onze partners, zodat de aanpak in de hulpverlening ‘in grote lijnen
overeenkomt.’

Weken en jaren
Binnen SHO kun je onderscheiden tussen organisaties die zich in het bijzonder richten op acute noodhulp en anderen die zich meer richten op de wederopbouw. Het Rode Kruis en Artsen zonder grenzen, concentreren zich op de noodhulp. Anderen, zoals TEAR fund, werken meer aan het vervolgtraject, met aandacht voor huisvesting, medische zorg, onderwijs, landbouw en inkomen genererende activiteiten. ‘Maar scheiden kun je het niet’, zo voegt Niemeijer toe, ‘want in zo’n eerste fase zijn wij via onze partners ook voluit betrokken op de noodhulp. Maar als de echte noodhulporganisaties weg zijn, dan blijven wij vaak nog wel een paar jaar betrokken op de projecten van onze partners ter plaatse.

Nieuwe kansen
Terug naar de Nederlandse gevers, ziet TEAR fund zich niet alleen als een fondswervende organisatie, maar wil ook graag een bijdrage leveren aan de bezinning op hulpverlening in mondiaal perspectief. En dat in een Nederlands klimaat dat in de dertig jaar dat TEAR fund bestaat sterk veranderd is. Marnix Niemeijer: ‘We zijn als christenen echt een minderheid geworden in de samenleving. Dertig jaar geleden voelde dat vooral als een pijnlijk verlies, nu is er meer ruimte om op een onbevangen wijze minderheid te zijn. En te zoeken naar nieuwe kansen. Bij die oriëntatie zou de vroeg-christelijke kerk - ook een minderheid toen - ons nog wel eens kunnen helpen’ Niemeijer ziet in dat verband de grote betekenis en mogelijkheden van diaconaat. ‘Ik denk aan de diaconale hulp in de eerste eeuwen. Dat viel echt op, juist ook omdat die hulp geen halt hield bij de kerkdeur.’

Minder polarisatie
Verder vindt Niemeijer, dat de sfeer tussen de kerken ook behoorlijk veranderd is: ‘Het kerkelijk klimaat is in veel opzichten opener geworden. Waar in de zeventiger jaren de polarisatie heel scherp was, ook op punten als het missionaire en diaconale, zijn nu de scherpe kanten er grotendeels af. Binnen de PKN is er weer meer ruimte voor het missionaire, terwijl in de kleinere orthodoxe kerken meer oog is gekomen voor de eigen betekenis van het diaconaat. En ook, dat het in de wereld niet alleen maar een kwestie is van ‘slachtoffers helpen en steunen’ maar niet minder van ‘de gerechtigheid zoeken’.
Want naast zonde die op een heel persoonlijke wijze kan woekeren, ziet Niemeijer achter de nood veel structureel onrecht. ‘Noodhulp, wederopbouw en zaken van recht en onrecht - als je je bezint op de vraag hoe je als christen hebt te leven in déze wereld, zul je zowel het één als het ander aan moeten pakken. Ik beschouw het ook als een taak van TEAR fund om de kerken op dit punt van dienst te zijn.’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief