De 1%-operatie (1)
1976-08-13
Wat is daar al veel over geschreven en gesproken!- Jaargang 20
- nummer 31
De ervaring leert echter, dat velen niet begrijpen, waar het precies over gaat.
Is het enkel de noodzaak tot bezuiniging bij de overheid? Beslist niet. Er is veel meer bij betrokken. We beginnen met het nationaal inkomen (NI), de som van wrat we samen in Nederland verdienen per jaar (Ionen, winsten, rente, enz.). Dat NI besteden we (globaal)
(a) in de collectieve sector ;
(b) in de particuliere sector.
De eerste groep (a) bevat de uitgaven, die de overheid doet (met inbegrip van de sociale uitkeringen). Die brengen we via belastingen en precies bijeen en daar profiteren allen van (collectief), hetzij via onderwijs, de bescherming van politie, aanleg en onderhoud van wegen, uitkeringen van kinderbijslag, AOW, AWW, enz.
De tweede groep (b) is wat we "schoon in handen" krijgen en waarmede we onze eigen uitgaven kunnen financieren: huishouding, kleding, vakantie, enz.
De verdeling van het NI over deze beide groepen behoort min of meer vast te liggen.
De overheid weet daarmee ongeveer waar zij op kan rekenen en ieder van ons weet dat ook.
Momenteel is die verdeling 55-45. In werkelijkheid zijn die cijfers niet zo vast.
De overheid neemt hoe langer hoe meer taken op zich, breidt bestaande taken uit en haar ambtenaren zijn niet gauw tevreden. Wat zij moeten doen, doen ze goed en als 't even kan beter dan het tot nu toe geschiedde. Dat alles leidt er toe, dat de collectieve uitgaven stijgen. Het kabinet-Den Uyl heeft dat ook in zijn programma geschreven en jaar voor jaar zien we die stijging in de miljoenennota en in de begrotingen. Toen de economische teruggang zich duidelijk aftekende en de werkloosheid toenam, realiseerde het kabinet zich, dat een ongeremde stijging van de overheidsuitgaven voorkomen moest worden. Als het niet zou ingrijpen, zou binnen enkele jaren van elke verdiende gulden 60-65 cent naar de overheid gaan, zodat dan voor de particuliere bestedingen niet meer dan 35-40 cent over zou blijven. Ieder begrijpt dat dat niet kan. Zo'n enorme verzwaring van de belastingdruk zou de volksvertegenwoordiging niet kunnen goedkeuren en de vakbonden zouden die "niet nemen". De kiezers zouden zich afkeren van deze politiek. Het kabinet besloot daarom tot een geleidelijke groei van de collectieve uitgaven en wel met maximaal 1% per jaar en voorlopig voor de periode rot 1980. De ontwikkeling zal dan als volgt zijn: a/b = 55/45 (voor 1976) en gaat via 56/44 (1977) en 57/43 (1978) naar 59/41 (1980).
De overheid beperkt daarmede de groei van de collectieve uitgaven en zij zal zich danig moeten inspannen om het rotaal binnen de gestelde grenzen te houden. Ze moet "ombuigen", Zij zal moeten kiezen en een aantal plannen niet uitvoeren of gedeeltelijk uitvoeren. Andere plannen zullen eenvoudiger opgezet moeten worden. De sociale uitkeringen worden verminderd, de gezondheidszorg beperkt, de uitvoering van leerplannen getemporiseerd enz. En het betekent evenzeer een verlaging van wat wijzelf aan netto-inkomsten beschikbaar hebben. Vergroting van de belastingdruk met 1% per jaar is verlaging van onze bestedingsmogelijkheid met 1% per jaar. Wij zijn dus allen betrokken bij de 1%-operatie. Alleen we merken er vrijwel niets van. Daarover echter een volgende keer.