De ambten en de eenheid van het Nieuwe Testament
1976-08-20
Er is de laatste jaren wel het een . en ander aan de hand met het ambt in de kerk. We kunnen spreken van een vrij sterke onzekerheid die in verschillende kringen heerst t.o.v. het ambt. De huid-ige mentaliteit, zoals die algemeen gevonden wordt is het ambt niet gunstig gezind. De tendens naar democratisering' die wellicht verder doordringt dan wij vermoeden vindt ook het ambt als een obstakel op zijn weg naar verwezenlijking.- Jaargang 20
- nummer 32
Daarnaast is er het opleven van charismatische bewegingen, die het ambt achterstellen bij de Geest en de waardering van het ambt niet ten goede komen.
Verschillende geschriften houden zich met de vragen rondom het ambt bezig onder soms alarmerende titels als: "Wat is er aan de hand met het ambt? Studierapport over het' ambt, aangeboden door de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, krachtens besluit van haar vergadering van 18 februari 1969". Het is van de hand van de bekende prof. dr H. Berkhof en werd in 1970 uitgegeven door het Boekencentrum N.V. te Den Haag. Dr G.P. van Itterson houdt zich ook met dit studierapport bezig in zijn in 1974 bij Kok verschenen brochure "Het kerkelijk ambt in geding", no. 10 in de serie Theologie en gemeente, dat ik graag ter lezing aanbeveel. Terecht kan prof. dr W. van't Spijker in zijn monumentale' werk "De ambten bij Martin Bucer", in 1970 bij Kok verschenen, schrijven dat het ambt behoort tot de knelpunten in de oecumenische verhoudingen en daarom ook tot de brandpunten van de hedendaagse theologie, Inleiding, pag. 2. Dit alles is met elkaar reden genoeg om samen te gaan nadenken over de vragen rondom het ambt in de kerk van Christus. Ik stel me voor er enkele artikelen over te gaan schrijven om dit nadenken enigszins te stimuleren en er wat bij te helpen. Vervolgartikelen in de stringente zin van het woord liggen niet in m'n bedoeling. Al zal er wel een onderlinge samenhang te bespeuren vallen, elk artikel zal toch zoveel mogelijk een op zichzelf staand geheel vormen. Dat is voor het lezen wel zo prettig.
Een van de eerste moeilijkheden die we op onze weg ontmoeten is dat het Nieuwe Testament geen nauwkeurige omschrijving biedt van wat we onder een ambt hebben te verstaan en dat het woord ambt er zelfs niet in voorkomt.
Er is sprake van een op het eerste gezicht bonte rij van kerkelijke functies en functionarissen, van diensten en gaven en dat onder meermalen wisselende en niet steeds vast omlijnde benamingen. We lezen over apostelen, profeten, leraars, herders en leraars, evangelisten, dienstbetoon, leiding geven, spreken in tongen, oudsten, opzieners en diakenen en noemen hiermee nog niet alles. Een grote verscheidenheid dus, die we door heel het Nieuwe Testament heen verspreid vinden. Hoe moeten we met deze gevarieerde gegevens, die ons veelal zonder nadere omschrijving voorgelegd worden, aan om de vraag te beantwoorden in hoeverre we daarin met ambten - want daarover willen we handelen - te doen hebben en dan bovendien nog met ambten, die er ook vandaag nog (behoren te) zijn?
Om wat in ons onderwerp in te komen kan het zijn nut hebben er op te wijzen dat verschillende nieuwtestamentische geleerden in verband met de gevarieerde gegevens van het Nieuwe Testament een onderscheid hebben gemaakt tussen groepen van boeken die ren opzichte van het ambt een bepaald, type zouden vertonen. Er zouden in hoofdzaak drie van zulke groepen zijn.
a. De brieven van Paulus, Deze zijn van vroegere datum en daarin is, zo meent men, nog geen sprake van ambt en van de door het ambt doorgegeven en gewaarborgde traditie of overlevering. Alles wordt hier nog bepaald door de frisse wind van de Geest en door charismata of geestesgaven.
b. De Pastorale brieven, aan Timotheüs en Titus, die men niet aan Paulus toeschrijft en daarnaast het door Lucas geschreven boek van De Handelingen der Apostelen.
In deze groep domineert het ambt en wordt de kerk institutair opgevat. Men meent in deze groep een duidelijk ander klimaat te vinden en spreekt in dit verband zelfs van vroeg-Katholicisme in het Nieuwe Testament, dat zich dan in de loop van de kerkgeschiedenis tot het eigenlijke Rooms-katholicisme met zijn sterke nadruk op instituut en ambt heeft ontwikkeld.
In beide genoemde groepen van nieuwtestamentische geschriften zou dus de Geest staan tegenover het ambt en de door de Geest geschonken vrijheid tegenover de vaste overlevering.
c. Van deze twee worden dan nog weer de geschriften van Johannes - evangelie en brievenonderscheiden als een geheel eigen type, dat noch ambt noch charisma kent, ook geen kerk. Hier gaat het om de enkeling, die in het gebeuren van de. Geest onmiddellijk tegenover God staat. De gemeente is hier een geiheel vrije uit de zalving van de Geest levende schare.
Het woord kerk komt alleen voor in de derde brief van Johannes.
Drie groepen van nieuwtestamentische geschriften dus die t.a.v. kerk, ambt en overlevering allen een eigen type vertonen. De Pastorale brieven en Handelingen zijn hater geschreven dan de als echt Paulinisch beschouwde geschriften. Dat geeft Ernst Käsemann aanleiding om te spreken van een breuk in de ontwikkeling die we in het Nieuwe Testament zelf kunnen waarnemen, van een proces van deformatie dat heeft geleid tot het "kerkelijke instituut"
tegenover een uit de vrijheid van de Geest levende gemeente. 1) Zo wordt de eenheid van het Nieuwe Testament verbroken met het breekijzer van de tegenstelling tussen Geest en ambt. Ernst Käsemann eist zelfs de onderscheiding der geesten binnen het Nieuwe Testament! en meent de maatstaf daarvoor te vinden in "het evangelie van Paulus". 2)
Prof. Sevenster heeft in een bondig betoog de onjuistheid van deze visie duidelijk gemaakt door er op te wijzen dat in de als echt erkende brieven van Paulus ambt en traditie ook wel degelijk hun plaats hebben evenals in de Johanneïsche literatuur. Hij geeft daarvoor de bewijsplaatsen en gronden. 3) Zijn artikel is de moeite van het lezen waard: Hij wil daarin niet van een zoals
hij het noemt "mechanistische" Schriftinspiratie uitgaan en dat brengt hem er roe niet te argumenteren vanuit de stelling dat de Pastorale brieven - naar eigen getuigenis - ook door Paulus geschreven zijn. Naar Gereformeerde Schriftbeschouwing die niet samenvalt met een mechanistische inspiratietheorie (!) hebben we dit eigen getuigenis echter te eerbiedigen, ook al blijven er moeilijkheden over en het is de moeite waard daar toch ook mee te rekenen. Want zijn de Pastorale brieven van de hand van Paulus zèlf dan kan er van een ontwikkeling als resultaat van het verloop van enige tijd slechts in beperkte mate gesproken worden. Want dan zijn deze brieven toch zeker voor 68 geschreven, het jaar waarin Paulus op zijn laatst gesterven kan zijn, want hij stierf de marteldood onder Nero. Veelal stelt men het jaar van Paulus' dood vier jaar vroeger. Nu zal de eerste brief aan de Corinthiërs in 54 geschreven zijn en die aan de Romeinen in 57. In deze beide brieven wordt het uitvoerigst over de geestesgaven gesproken, vooral in de eerst genoemde. Maar dan is er dus voor de aangenomen ontwikkeling slechts een periode van waarschijnlijk nog geen tien jaren beschikbaar - niet voldoende om van zulk een diep ingrijpende verandering te kunnen spreken. Wanneer we zo op verschillende ook interne gronden tegenover de opsplitsing van het Nieuwe Testament in verschillende groepen van geschriften zijn eenheid handhaven legt ons dit intussen de verplichting op om ook dat gehéle Nieuwe Testament tot ons te Iaten spreken over de vragen rondom ambt en kerkinrichting, dus ook die delen die handden over charismata en diensten, We moeten ons m.a.w. niet beperken tot de Pastorala brieven en enkele teksten uit andere boeken, maar geduldig het gehele Nieuwe Testament open slaan en op ons laten inwerken. Dat maakt het ons wat moedijker maar het loont uiteraard de moeite!
Noten
1) Ik ontleen dit overzicht aan Hans Küng, structuren van de kerk, pag. 142-158 (oorspr. titel: Strukturen der Kirche) en aan Prof. dr G. Sevenster, Vroeg katholicisme en de eenheid van het Nieuwe Testament, in de bundel Protestantse Verkenningen na Vaticanum Il, Péllg. 28-43. Vgl. voor het zgn. Vroeg-katholicisme ook dr G.C. Berkouwer, Vaticaans concilie en Nieuwere Theologie, pag. 195 vv.
Genoemd overzicht kan dienstig zijn om ons de vragen scherp te doen zien, die hier aan de orde zijn. Zij komen ook ter sprake in de discussie rond het ambt, wals die spelen in de Ned. Herv. Kerk. De in dit overzicht gesignaleerde visie is ook, zij het in verzwakte vorm te vinden in het genoemde studierapport van dr H. Berkhof, zie pag. 20, 21 en vooral 25: Het Nieuwe Testament geeft sterk de indruk, dat binnen de invloedssfeer van Paulus de ambten omhoog zijn gekomen naarmate het niveau van de charismatische gemeente daalde, pag. 24. Berkhof waardeert deze "ontwikkeling" alleen niet slechts negatief, pag. 25.
Zijn rapport heeft juist vanwege deze achtergronden in vele classes sterk verzet ontmoet, van Itterson, Het kerkelijk ambt in geding, pag. 51.
2) Sevenster, a.w. pag. 30. Zie voor deze keuze en voor de scherpe kritièk daarop Hans Küng, a.w pag. 150-156. Deze concentratie van Käsemann leidt tot reductie, aldus Küng, Hier is een "principieel afzien van een aleerwattend begrijpen en au serieux nemen van heel het Nieuwe Testament".
3) Heel in het kort samengevat zijn het de volgende: Het ambt komt ook in de als Paulinisch herkende brieven voor; allereerst zijn eigen apostelambt, Rom. 1 : 1; hij geeft de gemeente bevelen, 1 Cor. 7 : 117, 11 : 3>4, 14 : 26. Zijn medewerkers treden ook op met gezag, 1 Cor. 17; 2 Cor. 1 : 19; 1 Cor. 16: 30.
In Pil. 1 : 1 is sprake van opzieners en diakenen. De traditie vinden we in 1 Oor. 13 en 15. De Pastorale brieven zijn opzettelijk geschreven met het oog op de inrichting van de kerk. Lucas spreekt in Handelingen over profeten. Had hij de ontwikkeling der kerk "ambtelijk bijgekleurd", dan zou hij dn Hand, 6 duidelijker over het diakenambt hebben gesproken. Wat de Johannische literatuur betreft, voor biet ambtelijke daarin Joh. 20: 23, 21:1 vv., en voor de traditie 1 Joh. 1 : 1-3, 2: 1, 4: 17, 14: 26.