Jeremia

1976-08-27
  • Jaargang 20
  • nummer 33
Godin van de seks
Door afgoderij te bedrijven krenkt en verminkt de mens zichzelf. Dat was ook het geval bij het dienen van de koningin des hemels. Wie deze godin was, is met helemaal helder. Sommigen denken aan de Kanaänitische godin Astarte. Anderen denken laan de Akkadische godin Isjtar. In wezen is het niet belangrijk welke van deze twee het geweest is. Want zowel Astarte als Isjtar waren beiden godinnen van de vruchtbaarheid, personificaties van de planeet Venus, die vanouds het symbool van de liefde is. De dienst van deze godinnen droeg dan ook bij uitstek een seksueel karakter, Uit de bij opgravingen gevonden beeldjes lijkt, dat er in feite sprake was van een vergoddelijking van de seksualiteit, ook het dienen van deze godin verminkt de mens. In onze tijd is dat duidelijk te zien. De seksualiteit is op grote schaal vergoddelijkt.
En nu is dat nog veel funester dan in de tijd van het Oude Testament. Want toen bestond er althans nog een verbinding met de vruchtbaarheid van het leven.
Maar vandaag is de seksualiteit losgepeld uit alle verbindingen, zelfs uit die van een duurzame menselijke liefdesrelatie.
Vandaag hebben we te maken met seks louter om de seks. De stroom van pornografische lectuur, van seksblaadjes en seksfilms is er om dat te bewijzen. De godin van de seks wordt vandaag door miljoenen vereerd. En de seksshops zijn haar tempels.
Door zich in dienst te stellen van deze godin krenkt en beschadigt de mens zichzelf. Deze afgoderij laat hem scheef groeien en overwoekert en verziekt zijn bestaan als een kankergezwel. En niet alleen hijzelf maar ook de andere wordt erdoor aangetast. Waar de godin van de seksualiteit aanbeden wordt, wordt de partner verlaagd tot een object, tot een stuk. speelgoed, dat je opzij schuift als je uitgespeeld en erop uitgekeken bent.

Het grote gebod
Onwillekeurig moet je hier denken aan Matth. 22: 34-40. Als aan Christus gevraagd wondt wat het grote gebod is, geeft Hij het bekende antwoord: Ge zult liefhebben Jahweh, uw God, met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Di t is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Ge zult uw naaste liefhebben als uzelf. Die twee geboden zijn zo nauw met elkaar verbonden en verweven, dat het verwaarlozen van het ene onvermijdelijk zijn terugslag heeft op het andere. Waar men met een van beide de hand gaat lichten, komt men ook scheef te zitten ten aanzien van het andere gebod . Waar men God niet meer van harte liefheeft 'en zich uitlevert aan een afgod, heeft men ook de naaste niet meer lief als zichzelf. Daar gaat men de naaste misbruiken als een middel om eigen verlangens en behoeften te bevredigen.
Dat blijkt ook uit Jer. 5 : 26 v.v. In de daaraan voorafgaande verzen is sprake van Israëls weigering Jahweh te vrezen (V's. 22, 24). Die weigering kwam niet alleen maar uit in het dienen van vreemde goden (vs. 19), maar ook in het benadelen van de naaste (vs. 26 v.v . Afval van Jahweh werkt zich uit in het schade toebrengen aan de' naaste. En het niet liefhebben van 'de naaste staat gelijk met af': val van Jahweh, met goddeloosheid.

Goddelozen
De goddelozen van wiein vs. 26 sprake is, zijn geen heidenen. Op de een of andere manier hebben wij altijd weer de neiging goddeloosheid te Iokaliseren buiten de kerk Daar zijn de poelen van goddeloosheid, denken we. Ver bij ons vandaan.
De bijbel spreekt anders. Natuurlijk ontkent de bijbel niet dat er ook goddeloosheid buiten de kerk is, maar het accent ligt steeds op de goddeloosheid binnen de kerk.
Zo was het ook in de dagen van Jeremia. Er Ieefde een brok goddeloosheid onder Gods volk. En die goddeloosheid bestond in het loeren op de naaste. Men had de naaste niet lief. Men probeerde hem in zijn greep te krijgen. De HERE gebruikt voor deze goddelozen het beeld van vogelvangers.
Dat is veelzeggend. Als een vogelvanger succes wil hebben, moet hij zich gedekt houden en zich niet aan de vogels laten zien. Hij moet wegduiken achter struikgewas of zich verbergen in het hoge gras. Want zodra hij zich laat zien, blijven de vogels uit zijn buurt en strijken ze niet neer op het vangnet. Alleen als hij zich verbergt en onzichtbaar blijft, kan hij de strik, het vangnet, op de argeloze vogels laten neervallen en hen vangen.
Zo verbergen deze goddelozen, deze misdadigers, zich ook. Maar het is hun niet om vogels te doen, maar om mensen. Ze laten zich niet zien. Ze houden zich schuil.
Natuurlijk moet u dat niet in letterlijke zin opvatten. Het gaat hier vooral wel om hun bedoelingen. Daar laten ze niets van merken. Oppervlakkig gezien zijn ze tegenover hun toekomstige slachtoffers vriendelijk en voorkomend, Maar achter die mooie buitenkant Iiggen ze op de loer om toe te slaan zodra de gelegenheid gunstig is.

Bedrog
Het gaat tin dit gedeelte duidelijk om mensen, die zich verrijken ten koste van anderen. Daar zijn ze goed in geslaagd. Ze zijn groot en rijk gewonden en hebben welgedane lijven dank zij hun bedrog. Van dat bedrog zijn hun huizen vol. Ze léven er gewoon in. Als je hun huizen binnenkomt, slaat de sfeer van bedrog je in je gezicht. Zo door bedrog - hebben ze zich op de ruggen van anderen omhoog gewerkt, Dat is een verschijnsel! dat ook in onze tijd nog maar al te bekend is. Ook nu zijn er nog velen drie zich verrijken ten koste van anderen.
We moeten maar goed onthouden, dat de Schrift dat rangschikt onder goddeloosheid, misdadigheid.
Er lopen heel wat meer misdadigers buiten de muren van de gevangenissen rond, dan er binnen zitten. Maar dat is toch niet het enige waaraan we hier moeten denken. Het benadelen en misbruiken van je naaste begint al, als je je ware' bedoelingen ten aanzien van hem verzwijgt en verborgen houdt. Daar ben je mee bezig alsje hem manipuleert of als je mooi weer met hem speelt en hem intussen gebruikt voor je eigen bedoelingen.
Dat is b.v. het geval als een jongen een meisje inpalmt, alleen maar met de bedoeling haar te "versieren". Hij doet dan net alsof hij haar aardig vindt, alsof hij in haarzelf geïnteresseerd is en alsof zij hem ter harte gaat. Dat is het struikgewas waarachter hij als een vogelaar zijn ware bedoeling verbergt.
Maar als hij zijn doel bereikt heeft, laat hij haar vallen als en uitgeknepen citroen. Dan blijkt dat het hem niet om haar te doen was, maar om hemzelf. Ze was niet meer dan een gebruiksvoorwerp voor hem.
Nog een voorbeeld: iemand heeft een suikeroompje. Hij bezoekt hem regelmatig. Hij, brengt ook kleine attenties voor hem mee. Dat doet hij met omdat hij zijn oom zo aardig vindt of omdat hij zo met de man begaan is. Hij doet het alleen omdat hij op de erfenis uit is. Maar natuurlijk past hij wel op dat te zeggen. Zo zijn we, telkens als we de naaste alleen maar zien als een middel om onszelf te bevoordelen en onze ware bedoelingen voor hem verhangen houden, bezig onze prooi te besluipen zoals een vogelvanger wegduikt in het struikgewas. En Jahweh noemt dat goddeloos, misdadig. Want wie er op deze manier blijk van geeft zijn naaste niet lief te hebben, kan ook God niet liefhebben.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief