Vrijheid (1)
1976-09-03
In een conferentie van de C.S.R. te Delft, gehouden in Lunteren, over het thema: "De Revolutiegedachte", mocht ik in twee morgensamenkomsten de bijbelbespreking inleiden, over de vrijheid van de christen, Galaten 5, en over de strijd van de christen, Efeze 6.- Jaargang 20
- nummer 34
We willen op de voorpagina van Opbouw daar in deze maand iets van doorgeven.
Vrijheid mag voor ons geen ongekwalificeerd begrip zijn. Het krijgt "ergens" zijn vulling vandaan, vanuit het geloof of vanuit het ongeloof. Over welke vrijheid heeft Paulus het in Gala ten 5?
Het eerste ver:s wijst eigenlijk terug op de hele brief, die wel genoemd is het geloofsmanifest van de vrijheid. We vangen het beeld van de vrijheid, dat Paulus ons voortekent het beste op, door na te gaan wat hij in hfdst. 3 zegt over Abraham en in hfdst, 4 over Sara, van wier kinderen hij zegt: dát zijn de vrijen. Daarbij is van bellang hoe Paulus de functie van de wet ziet. Abraham is gerechtvaardigd niet dóór de Wet, maar vóór de Wet, die pas eeuwen later op de Sinaï gegeven werd. De Wet is er pas later bijgekomen om slechts tijdelijk te functioneren, nl. tot de komst van Christus, De Wet diende als soort oppasser om Israël in bedwang te houden tot Christus zou komen en wij door het geloof vrije mensen zouden worden, Wet impliceert onmondigheid. Israël verkeerde ÎIll de positie van een onmondig kind, dat tot zijn bestwil gehouden wordt aan regel en gebod, Met Christus breekt de tijd van de Geest aan en waar de Geest is daar in vrijheid. We gaan dan in geloof en uit liefde eigen beweging doen wat de HERE van ons vraagt. Zie Jer. 31 over het nieuwe verbond met de Wet geschreven in het hart. Zie ook 2 Kor. 3.
Zo zijn we waarlijk kinderen van Abraham, die niet onder de wet maar uit genade gerechtvaardigd is en leefde. Paulus poneert zo krachtig deze vrijheid tegenover de judaïsten, die haar bedreigen, omdat zij christenen uit de heidenen willen pressen tot de besnijdenis: zonder de Wet zouden deze geen echte kinderen van Abraham kunnen zijn, Paulus ziet hier de uitloper van een conflikt, dat reeds in de tent van Abraham is begonnen: tussen Sara, de vrije en Hagar, de slavin: tussen het kind der belofte en het kind, naar het vlees verwekt.
Het wordt heel scherp gesteld: het een sluit het ander uit, zoals ook Hagar en Ismaël tenslotte uit Abrahams tent verdreven zijn.
Hier is tweeërlei way of life, die niet kunnen samengaan in de gemeente van Christus: wettisch of ui t geloof. Zie ook het conflict in Joh. 8 over de vrijheid. De Joden gaan er prat op kinderen van Abraham te zijn en niemands slaven. Ze worden voor de kritische vraag gesteld: 'kinderen van Abraham, zeker, maar van welke moéder: van Sar:a of van Hagar, van de vrije of van de slavin? Van nature of geestelijk? Paulus' vergelijking van Jeruzalem met Hagar moet voor jood en judaïst wel bijzonder schokkend zijn geweest!
Het is nu wel duidelijk, van welke kant Paulus de vrijheid in Christus bedreigd ziet: door judaïsme en wetticisme, die de eeuwen door en tot nu toe onze vrijheid belagen, Want de toen in geding zijnde besnijdenis was geen incident, maar exponent en symptoom van een totale levenshouding. Vandaar Paulus' scherpe reactie: het kruis van Christus is in geding! Als Pairlus van de ergernis van het kruisevangelie (uit genade alleen) iets afdoet, zal hij geen last meer hebben van joodse en heidense vervolgers, maar zo zou hij zijn geestelijke vrijheid in Christus verkwanselen voor wat meer politieke vrijheid. In Galaven 6 : 14 ziet Paulus op de beslissende momenten altijd weer het kruis staan tussen ons en een wereld, die, politiek en/of kerkelijk, haar eigen vleselijke wegen gaat van zelfzucht, hoogmoed, geweld en onrecht, aan welke kant ook van de lijn russen rijk en arm, kerk en wereld, rassen en standen, kapitalisten en proletariërs. Het beslissende scheidspunt kan nooit liggen in een of ander economisch plan of sociaal beginsel of politieke ideologie, maar in het kruis van Christus. Daar gaan de wegen ui teen tussen vrijheid en slavernij.
Daar hangt ook mee samen wat Paulus is vers 4 en 5 schrijft over de uertuáchting. Tweeërlei verwachting stelt hij tegenover elkaar:
a. door de wet, - op wettische wijze opgejaagd van gebod tot 'gebod, van reglement tot reglement, van program tot program, van actie tot actie.Als ge daarvan de gerechtigheid verwacht voor jezelf en de samenleving, zegt Paulus, dan zijt ge los van Christus en staat ge buiten de genade. Daar heeft het kruis geen plaats in.
b. Maar wij verwachten, zegt Paulus, door de Geest en uit het geloof de gerechtigheid, waarop wij hopen. Het verschil in beide verwachtingen is niet, dat de een alleen een gerechtigheid voor de sámenleving najaagt en de ander alleen voor zichzèlf gerechtigheid zoekt; ook Paulus verwacht de nieuwe wereld, waarop gerechtigheid wonen zal. d.w.z. thuis zal zijn en geen ongewenste vreemdeling.
Het verschil zit in een wettisch nagejaagde selfmade gerechtigheid voor mens en wereld, hier en nu, waarbij Christus en de genade geen rol spelen enerzijds, en de verwachting van de nieuwe mens en de nieuwe wereld als zaak van geloof en hoop op de wederkomende Christus. Het geloof belijdt de nieuwe wereld als een schepping van God, Gal. 6 : 15, zie ook 2 Kor. 5 : 17 en 18: wie in Christus is, is een nieuwe schepping, het oude is voorbij. Het nieuwe is begonnen, en het komt alles van God, die ons door Christus met zich verzoend heeft.
We zijn door Christus bevrijd voor een leven en samenwerking in de vrijheid. En we zijn met God verzoem voor een leven en samenleving in een verzoende wereld.
In Christus en door zijn Geest is de toekomst reeds begonnen. Christenen behoren de meest progressieve mensen te zijn. Conservatief is het. om met verschikking van de elementen van de oude wereld iets nieuws te willen suggereren. Het oude is voorbij, het nieuwe is begonnen!