Vrijheid (2)

1976-09-10
  • Jaargang 20
  • nummer 35
Ging het in het eerste deel van Gal. 5 om de wórtel van de geestelijke vrijheid (,in Christus), in het tweede deel gaat het om de vrucht (van de Geest).
Om waarlijk vrij te zijn heeft Christus ons vrijgemaakt, - zo begon Paulus dit hoofdstuk. Maar nu gaat hij het tweede deel openen met te wijzen op onze roéping om vrij te zijn.
We zijn kennelijk niet van nature vrije mensen. 't Is ons niet aangeboren. Toen de eerste mens Gods verbod overtrad dacht hij vrij te wonden, maar hij verloor juist zijn vrijheid in God en wend slaaf van de duivel en van de zonde. Uit die toestand zijn we nu met bevrijdende kracht weggeroepen door de Geest. Dat is een creatieve roeping. Zoals God bij de schepping zei: er zij, licht en er was licht, Zo roept de Geest ons tot vrijheid en we zijn vrije mensen, nieuwe schepping (6 : 15).
In deze roeping Ligt ook de garantie voor onze vrijheid. Niet in wat we er lijfelijk van ervaren.
Ook niet in tastbare veranderingen in samenleving ,en verhoudingen.
Hoe de omstandigheden ook zijn, - de roeping blijft van kracht. Tot vrijheid zijt gij geroepen!

Maar we worden wel gewaarschuwd voor corruptie van deze vrijheid, We kunnen haar misbruiken. Om onszelf uit te leven. Dat is wat Paulus met ,,'Vlees" bedoelt, vlees, d.i, het leven waarbij alles om onszelf draait, afgewend van God en de naaste. leider wil zijn eigen baas zijn en wondt daardoor slaaf van zichzelf. Vrijheid is dan: onafhankelijk zijn, geen mens nodig hebben, niemand iets hoeven vragen en ooit hoeven danken. Maar daarmee komen we in de grootste eenzaamheid. De vleselijk levende mens is de onvrije mens. De mens zonder liefde. Die zichzelf maakt tot en gedraagt als een soort mini-god, Hij heeft mensen nodig om ze te overtroeven en te vernederen, hij wordt zijn naaste tot een wolf, niet alleen privé, maar ook in bond met anderen, politiek en sociaal, (Moltmann, De taal der bevrijding.) Daartegenover laat Paulus ons zien, dat de echte geestelijke vrijheid slechts in de liefde kan tieren.
Het klinkt paradoxaal, maar treft de kern van de zaak, als Paulus schrijft: de vrijheid in Christus maakt ons vrij om te dienen in liefde. Liefde gunt en geeft de ander de vrijheid en ruimte, die we zelf in Christus hebben ontvangen en ontdekt. Liefde bevrijdt van eenzaamheid en angst. Liefde is creatief, omdat ze zowel in eigen leven als in dat van anderen nieuwe mogelijkheden ontdekt en activeert.
Liefde doorbreekt de enge bekrompenheid van zelfhandhaving, ze wil samen met anderen zich verheugen in de vrijheid. M.a.w. vrijheid is niet een manier van onafhankelijk zijn, die beperkt wordt door de onafhankelijkheid van mijn naaste. Maar ze bestaat in een gemeenschap van wederzijds zoeken en dienen van elkaar.
Zonder gemeenschap geen ware vrijheid,

Verder maakt Paulus ons duidelijk, dat we ons hier bevinden op het terrein van de Geest. Het leven in vrijheid en liefdedienst tot elkaar is nooit en nergens een plant van eigen bodem, maar vrucht van de Geest.
Paulus stelt hier tegenover de werken van het vlees en de vrucht van de Geest. Werken, meervoud, tegenover vrucht, enkelvoud. En: werk tegenover vrucht.
Terwijl het wees, wettisch opgejaagd, onrustig, nu hier dan daar, in een chaotische veelheid van werken zich uitput, - daar doet de Geest in aUe stilte zijn vrucht groeien. Opgroeiende uit het zaad des evangelies.
Dit zaad van de Geest op de wereldakker is wat anders dan het dynamiet van gewelddadige revoluties.

Tenslotte wijst Paulus ons op de blijvende tweestrijd tussen Geest en vlees in ons leven. Die twee liggen altijd met elkaar overhoop, zodat ge niet kunt wat ge zoudt willen, vers 17. Het blijft een strijd, om onze wil aan Gods wil te onderwerpen. We zijn niet vrij om onze wil te doen, - dan waren we weer bij Adams val terug, - maar om Gods wil te doen. Wie deze strijd in eigen leven kent is gewaarschuwd voor perfectionisme.
De beslissende scheidslijn in de grote strijd om bevrijding en vernieuwing loopt niet tussen rassen en klassen, joden en niet-joden, rijken en armen, vrijen en onvrijen, blanken en zwarten, maar tussen vlees en Geest. Er schijnt een joods gebed te zijn, waarin de bidder zegt: "Gezegend zijt Gij, Heer onze Gord, Koning der wereld, dat Gij mij niet tot een heiden gemaakt hebt, gezegend zijt Gij, dat Gij mij niet tot een slaaf gemaakt hebt, gezegend zijt Gij" dat Gij mij niet tot een vrouw gemaakt hebt."
Paulus kon wel dit wonderlijke gebed gekend hebben, toen hij schreef in Gal. 3 : 26 e.v.: "Maar gij zijt allen kinderen Gods, door het geloof in Jezus Christus, en nu is er wat dat betreft geen sprake meer van jood of heiden, slaaf of vrije, man of vrouw. Allen tesamen vormt ge één persoon in Christus Jezus."
Het is het gelóóf, dat scheidt, maar ook verenigt; het geloof, dat Liefheeft en daarin de vrijheid uitstraalt, die we in Christus hebben; het geloof, dat ook de strijd niet uit de weg gaat op de frontlijn tussen vlees en Geest, die dwars door het eigen leven heengaat.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief