Zoeken naar God
1976-09-17
n.a.v.Hans Bouma : “Op Adem Komen”.- Jaargang 20
- nummer 36
Kok, Kampen f 7,90
Vanaf zijn eerste bestaan moet de mens vragen hebben gehad; moet hij antwoorden op zijn vragen hebben gezocht. En het zoeken naar antwoorden op openstaande vragen is altijd: zoeken naar God. Voor alles, waarvan wij het waarom en waartoe niet weten, luidt het antwoord: God. Zelfs de van God afgedwaalde heiden zoekt God; zoals een verdwaald kind om zijn vader roept. Zoveel te meer de mens, die zijn Vader heeft gekend en die Hem, vanwege eigen wijsheid, steeds is kwijt geraakt.
Ds Bouma heeft de verdwaalde, zoekende mens een aantal gebeden geschonken, die hem op weg helpen. Zelfs de apostelen, die het dichtst bij de Heiland leefden, vroegen Hem: Heer, leer ons bidden. Dat is: wijs ons het contact met de Vader, die in de hemelen is. En de Heiland voldeed aan hun vraag, wees hun de weg, gaf het, volmaakte gebed.
De gebeden van Hans Bouma zijn gedichten. Ook het Onze Vader is in zekere zin een gedicht, een beslotenheid, een gesloten canon. Een gedicht is maar niet een stukje kunst om de kunst, niet een litterair hoogstandje - maar een afgeronde, volkomene, min of meer volmaakte zegging.
Een zinspreuk; een spreken met zin.
De psalmen zijn ook gedichten. Elke zin van een psalm bestaat uit een voor- en een nazin. Er is symmetrie, evenwicht in zulke gedichten. Er zijn bovendien psalmen, waarin de beginletters der coupletten samen het alfabet vormen; zo'n gedicht krijgt, als psalm 119, een extra canon, een extra zin. Denk aan ons volkslied, waarvan de beginletters een naam vormen: ook zo’n welverstopt kleinood dat extra waarde toevoegt. En dan hebben sommige psalmen een refrein, psalmen 42 en 43, bijvoorbeeld. Ook op deze wijze blijkt, dat we met een zegging, een spreuk, een zinspreuk te maken hebben. Zo zijn er meer kenmerken. De psalmen zijn ook gebeden, behalve gedichten. Dit is een uitgemaakte zaak. En dat de gebeden van Hans Bouma gedichten zijn geworden is dus direct aannemelijk, U kunt ze zo onthouden - voor moeilijke ogenblikken.
Dit alles wat de vorm betreft. En nu de inhoud van Bouma's gebeden. De titel wijst er al op, dat ons gebed ons op adem doet komen. Het spreken met God is rusten in Hem; afleggen van onze benauwdheden; adem scheppen bij Hem die leven is en leven doet. Adem immers is leven. Toen de geschapen mens op adem kwam (Gen. 2: 7) werd hij tot een levende ziel. De zingende mens speelt met zijn adem, schept uit de overvloed van zijn leven. Alleen een moegedwaald kind blijft ademloos staan. Roept om zijn vader - en komt op adem.
Het zoeken naar God is wat anders dan het monotoon prevelen van dagelijkse gemeenplaatsen. Niets is zo maskerend en isolerend als de vaste vorm. De Heiland waarschuwde ons voor de tredmolen van veelvuldige gebeden, die tot een eerbiedwaardige, religieuze sleur kunnen verworden. Wie tegen zijn vader steeds hetzelfde zinnetje zegt, zegt hem niets meer. Maar wie, vindingrijk als de liefde is, steeds naar nieuwe woorden, nieuwe contacten zoekt, bewijst zijn levende genegenheid,
Alle gebeden van Hans Bouma zijn zoekend, tastend, afwerend en toenaderend, verdedigend en vol overgave; kortom menselijk. Bij het zeker weten komt steeds de schaduw van de twijfel. Bij het zoeken hoort het vinden. Bij het ontdekken komt de verrukking. Het boekje staat niet steeds op hetzelfde niveau - maar welke bidder staat steeds op de toppen van zijn geloof? Er zijn ook gebeden uit de diepte. Maar als bundel van 65 korte gebeden is er een zekere" volkomenheid: in vele facetten is het zoeken naar de levende God vastgelegd; als voorbeeld misschien, maar ook om op een rustig ogenblik eens fijn door te lezen. Doet u het maar; u zult er door op adem komen.
Het eerste gebed verklaart de titel:
telkens God
U weer treffen
één en al aandacht
herkend worden
ontraadseld
aanvaard
alles open
zien gaan
visioenen
van vrede
eindeloos geluk
telkens weer
op adem komen
Kort, zonder zinnen maar met zin, telegramstijl. Zonder hoofdletters of leestekens vrijwel - maar die hoort u toch niet. Al zoudt u ze misschien wel willen zien. Een ander gebed (9)
nog steeds wacht Gij
waar is de mens
de mens van uw dromen
Gij staat er alleen voor
wij doen niet mee
het kan ons niet boeien
trek U niet terug
het zou het einde zijn
laat het doek niet vallen
eer het spel begonnen is
o God heb geduld
we moeten nog opkomen
Als u even aan de korte, stoterige woordkeus gewend bent, riet u ineens de dubbele waarde van elk woord. Alles is even geladen; kijk maar:
1) God wacht nog. Waarop? Hij talmt niet, maar is lankmoedig, 2 Petr. 3 : 9 .
2) Adam, waar zijt gij? Gen. 3 : 10.
3) naar ons beeld en gelijkenis geschapen, een koning? Gen. 1 : 26
4) Tezamen zijn ze afgeweken, ontaard; Ps. 14 : 3 .
5) Niemand die goed doet, zelfs niet een; Ps. 14 : 3
6) De mens onderhoudt Gods wet niet, kan ook niet; Rom. 8 : 7
7) Hoe lang zult Gij uw aangezicht verbergen? Ps. 13 : 2
8) Wij zouden "inslapen ven dode", ps. 13 : 4 en: Ik zal het volk vernietigen, Ex. 32 : 10
9) 10) Waarom zouden de heidenen zeggen: om hen te vernietigen heeft Hij hen uitgeleid. Ex. 32 : 12. En uw beloften dan? (: 13)
11) laat de vijgenboom nog dit jaar staan, Luc. 13 : 8
12) zend uw licht en waarheid, mogen die mij brengen op UIW heilige berg, Ps. 43 : 3.
Een bijzonder gebed geldt de kinderen: die het huwelijk van hun ouders moeten redden, die moeten presteren wat hun ouders niet lukte, die alles moeten zijn voor hun ouders, of die niet welkom waren.
Wie Hans Bouma kent weet, dat er ook een gebed voor de dieren in staat, voor de misbruikte natuur, die om onze schuld in nood is. Over de vergankelijkheid van dit leven gaat 34 :
vroeg of laat
moet ik verdwijnen
ik weet het
tenslotte ben ik
een komend en
gaande man
ik zal er nooit
aan wennen
alles breekt af
maar ik heb er
vrede mee God
als datgene
wat wij samen hebben
maar gewoon doorgaat
De zoon van Seth heette Enos, Enoosj, zwakke mens, sterveling. Laat af van de mens, zei Jesaja (2 : 22), wiens adem in zijn neus is; want wat is hij waard? De "komende en gaande man", een joodse uitdrukking voor een open plaats aan tafel, bestemd voor de vreemdeling, de passant, de zwerver. Maar na de dood ... ps. 49 : 16.
Een prelude tot de kerkdienst vindt u bij 35. Refreins vindt u op 37, 44 en 56! En let op het gebed voor onze pioniers, onze voorhoedevechters:
wie het te langzaam gaat
de groep verlaat
als Petrus vooruitloopt
op de golven
Jezus wees hem nabij
wanneer de eenzaamheid
de angst hem overvalt
laat uw gemeente
hem opvangen troosten
moed inspreken
weer de ruimte geven
onmisbare verspieder
van uw toekomst
Voor zo'n gebed alleen, dat u aan het dènken zet, is het boekje zijn prijs (ook een lofprijs) waard. Maar zijn er dan geen bezwaren? Natuurlijk, ook deze. Bedenkelijk is, dat in gebeden 58 t/m 71 Jezus wordt aangebeden. Een vroeg Christelijk concilie heeft gezegd: dat we de Vader moeten aanroepen en ons op de Zoon beroepen, waar hij de Geest onze gebeden zuivert en vertaalt. Nu hebben concilies niet altijd volmaakte dingen gezegd: ze werden ook maar bevolkt door sterfelijke mensen. En zeker goed is, wanneer (68) beleden wordt, dat Jezus ons over de Vader spreekt; of wanneer (71) Hem gevraagd wordt om; tot de Vader te leren bidden.
Misschien is het ontbreken van elke rijm ook wel een bezwaar. Daarover kunnen we een andere keer eens nadenken. Rijm behoort tenslotte tot de kleine details van een klassiek gedicht, Maar een goed dichter houdt zich ook zonder rijm wel aan het ritme, de bruisende onderstroom van zijn leven. Zo ook ds Bouma. Hij houdt zich aan grote lijnen. Trekt de grote lijn naar God.