Mijn vriend Hein een vijand?

2005-01-14
  • Jaargang 49
  • nummer 1
‘Tegen deze achtergrond zou ik u willen vragen ons niet te scheiden’. Dit schrijft Dorothee Sölle in een gefingeerde brief aan de dood in haar angst dat haar man eerder zal sterven dan zij. Alleen achter te moeten blijven – zij zou dat niet kunnen verwerken. Het zou beter zijn als zij beiden samen konden gaan. Deze angst overtreft haar angst voor het sterven zelf. En zij wist waarover zij schreef. Aan haar laatste boek1 schreef ze tot twee dagen voor haar sterven (in 2003).

Dorothee Sölle was een vertegenwoordigster van een eco-feministische bevrijdingstheologie, die alle accent legt op het hier en nu van dit leven in deze schepping. In een voorwoord schrijft Fulbert Steffensky, haar man, dat ze haar wonderbaarlijke en felle hartstocht voor dit leven tot aan het einde toe niet moe geworden is. Hoe is juist deze vitale vrouw, die zo op deze wereld betrokken was, met haar eigen dood en sterven omgegaan? Onder invloed van het joodse denken is ze zich steeds meer gaan concentreren op de schepping, en zo ook op de Schepper en op de Geest. Voor Jezus Christus is in haar boek weinig plaats. Ze wil feitelijk klaar komen met dood en sterven zonder Jezus Christus. Mijn vraag is dan: kan dat, christelijk gesproken? En waar komt ze dan precies uit?

De dood verdrongen?
Een van de klachten van Sölle is dat de werkelijkheid van de dood tegenwoordig ontkend en verdrongen wordt. Ik geloof dat zij daarin geen gelijk meer heeft. Het taboe op het publieke spreken over de dood is sinds de jaren 1970 wel doorbroken.
Er is op het punt van sterven en begraven in ons land veel veranderd de laatste tientallen jaren. De begrafenissen van leden van het koninklijke huis de laatste paar jaar, uitgezonden op de tv, hebben onze samenleving duidelijk geconfronteerd met de werkelijkheid van dood en sterven op persoonlijk vlak. Massale uitbarstingen van smart bij het overlijden van volkszangers laten wel zien dat we beter niet van verdringen van de dood kunnen spreken in het publieke leven.
Om van de moorden op publieke figuren in de samenleving maar te zwijgen! Trouwens, natuurrampen zoals de recente zeebeving in Azië met zijn dood en verderf zaaiende verwoesting, maken verdringing van de dood en het sterven vrijwel onmogelijk.
En wie op tv de beelden van de aan Aids stervende massa’s in Afrika heeft gezien, zal toch moeilijk de eindigheid en sterfelijkheid van het leven kunnen ontkennen. Op het publieke vlak wordt de dood niet meer verdrongen.
Althans, dit lijkt me voor ons eigen land het geval.

De dood aanvaarden?
Maar dat is toch nog iets anders dan ons persoonlijk sterven aanvaarden.
Accepteren dat er aan ons eigen leven op deze aarde eens een definitief einde komt, is heel wat moeilijker.
Het principe dat al het leven sterfelijk is, geeft niet zoveel moeite. Maar dat ìk zal sterven, en hoe, is een veel hardere werkelijkheid. En dat mijn kind midden in het leven door een ongeluk kan worden gedood – daar denk ik liever niet aan. Dat we midden in dit leven van alle kanten door de dood omvangen zijn, willen we niet te vaak horen. Verdringing van dood en sterven op dit persoonlijke vlak is een verleiding, al heeft Sölle het nauwelijks over de dood in de persoonlijke sfeer. Zij staat duidelijk in de traditie van het westerse denken sinds de dagen van klassiek-griekse filosofen als Anaxagoras. Hij reageerde als volgt op het bericht dat zijn zoon gesneuveld was: ik wist dat ik een sterveling als zoon had. Denkend had hij de sterfelijkheid van zijn zoon van tevoren al aanvaard als deel van het leven. Maar hij ging voorbij aan de concrete werkelijkheid van deze dood op het persoonlijke vlak. Die jongen was zijn bloedeigen zoon. Hij stierf niet aan zijn sterfelijkheid maar aan bloedverlies wegens een doorgesneden keel. Steffensky zegt dit dan ook tegen zijn vrouw in een gesprek dat zes weken voor haar overlijden werd opgenomen. Waarom zouden jongens die in een oorlog sneuvelen, hun sterfelijkheid positief moeten aanvaarden?
Ze krijgen een kogel door hun hoofd, of worden in stukken gereten door een bom. Hij vindt haar visie op de dood als deel van het ritme van de schepping te mooi om waar te kunnen zijn. Het is ver van de soms gruwelijke werkelijkheid van het dood gaan aan ziektes, aan ouderdom, aan moord en doodslag vandaan.

Angst voor de dood?
Aangrijpend schrijft Sölle over de angst voor de dood en het sterven. Ik haalde het citaat aan uit haar gefingeerde brief aan de dood: alleen achterblijven zonder haar man – dat is erger dan haar eigen sterven. Zij maakt nogal bezwaar tegen de individualisering van de dood, alsof het alleen maar zou gaan om onze eigen dood en wat er daarna met ons gebeurt. Ze heeft dan ook weinig op met een persoonlijke onsterfelijkheid, en met de pastorale zorg die daarvan uitgaat.
Wat zij als alternatief aanbiedt is dat we, midden in het leven, van hen die ons voorgegaan zijn moeten leren hoe te sterven. Door hen in herinnering te roepen leren we dat wij zullen kunnen wat zij konden: het leven loslaten en sterven. De dood als onze laatste daad!
We moeten dus niet bang zijn voor de dood, alsof we van hem verlost moeten worden. We heten hem welkom als een gast, als hij aan onze levensdeur klopt. En daarna …? Daarna keren we terug in de schoot der schepping, waaruit we door geboorte voortgekomen zijn. Of we worden opgeheven in God als een druppel, een gouden druppel in de zee van zijn liefde.
Als ik het goed heb, slaan beide beelden op dezelfde werkelijkheid.
Zuivere doodsmystiek waarin voor het bewuste leven van gelovigen voor Gods aangezicht na de dood geen plaats is!

Klop aan de deur
Dorothee Sölle schrijft niet veel over Jezus Christus. Ergens heeft zij het over de Meester, die zo nu en dan bij het ouder worden aan haar deur klopte. Ze is een aantal keren ernstig ziek geweest. Ik neem aan dat de Meester Jezus Christus is, maar helemaal verbaasd zou ik niet zijn als ze toch aan Vriend Hein had gedacht. Ze zet uitvoerig uiteen, hoe Jezus heel anders stierf dan de griekse filosoof Socrates. De een stierf in rustige blijmoedigheid een redelijk humane dood (door gif te drinken). De ander stierf een gruwelijke dood aan het romeinse kruis in dodelijke angst.
Vertrouwde Socrates op de onsterfelijkheid van zijn ziel, daar had Jezus niets mee. Dat is alles wat zij over de dood en het sterven van deze Jood te zeggen heeft. Dat hij aan het kruis ons sterven gedragen heeft, daar horen we niets over. Dat hij in het graf onze dood ondergaan heeft, komt niet aan de orde. En wat van de opstanding? Zonde en dood zijn politiek-
maatschappelijke realiteiten, waartegen we in opstand moeten komen. Want het gaat om een nieuwe hemel en aarde – op deze aarde, waaraan we samen met God moeten werken tegen alle machten in. En na ons de volgende generaties! Haar protest tegen het heilsindividualisme, dat hierin doorklinkt, kan ik bijvallen. Het egoïstische hemel-verlangen stuit ook mij tegen de borst. De brede verbanden van een nieuwe hemel en aarde hebben we hard nodig in ons nadenken over dood en sterven. Maar die komt er door Gods oordeel heen – uiteraard een afwezig thema bij Sölle.
Zij heeft Jezus Christus als Heer en Heiland in het uur van haar sterven niet nodig gehad. Ze zocht naar authentieke godsontmoeting tijdens haar leven, maar ook in haar sterven. Zij stierf midden in de Paastijd. Maar in haar leven en sterven ging het niet om de gekruisigde die opgestaan is.
Het ging om God – hij of zij of het! Jezus is helemaal uit beeld geraakt. Ik houd het er toch op dat de Meester over wie zij het een keer heeft in haar boek, niet Jezus Christus was, maar haar Vriend Hein.

Noot
1. D. Sölle, Mystiek van de dood (Baarn: Ten Have, 2004)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief