IN de kerk, OVER de kerk, ZONDER de kerk

1976-09-24
  • Jaargang 20
  • nummer 37
Wanneer men zich bezig houdt met de zaak van de opleiding van aanstaande predikanten voor de kerk van Christus, dan krijgt men te doen met een belangrijke vraag die vóór alles gaat, die daarom ook vóór alles moet beantwoord worden.
Die vraag is deze: wat voor een "inrichting", wat voor een soort "school", moet worden gekozen waarin deze opleiding zal moeten plaats vinden? Om concreet te zijn: moet die opleidingsinrichting, dat opleidingsinstituut, een "bijbelschool"
een "seminarie", een "hogeschool",een "universiteit" of nog wat anders zijn?
En een onlosmakelijke samenhang met deze eerste vraag duikt daarbij onmiddellijk een tweede op en wel deze: wat moet er in dat onderwijsinstituut onderwezen worden? Om het weer concreet te zeggen: Welke eisen moeten gesteld worden wat de kennis betreft voor de toelating van leerlingen, van studenten, daaraan? Welke “vakken" moeten daarop onderwezen worden? Wat moet het karakter, de omvang, het niveau van het in, dat instituut gegeven onderwijs zijn?
Ik vermoed niet dat iemand bezwaar zal kunnen maken tegen de stelling dat deze vragen de eerste zijn die gesteld en beantwoord moeten worden als men over de "opleiding" gaat spreken. En nog meer - als men ten aanzien van die opleiding gaat handelen.

Wanneer men het er over eens is dat dit alles de éérste vraag 'is die ten aanzien van de opleiding gesteld moet worden dan is een tweede vraag deze: wie moet op dit vragen complex het antwoord, het beslissende antwoord geven?
En dan is het in gereformeerde kerken - en ook in alle andere!met alle klem gezegd: Dat antwoord moeten de kerken geven. Het lijkt mij eenvoudig voor geen tegenspraak vatbaar dat dit antwoord op de genoemde vragen zo moet gegeven worden. Het gaat hierbij immers over een uiterst belangrijke vraag hoe de aanstaande dienaren des Woords van de kerk zaalden worden voorbereid en toegerust voor hun uiterst gewichtige kerkelijke taak. Het gaat hierin ten volle om háár zaak. Welk antwoord de kerken op die vraag geven is punt twee. In de Gereformeerde Kerken is er, zoals ik reeds 10 een vorig artikel gememoreerd heb, tweeërlei antwoord op die vraag gegeven. Sommige kerken zeiden: die opleiding moet op een universiteit plaats vinden. Anderen hieven de leus aan: "opleiding' voor de kerk door de kerk." En alle kerken waren het er voorts ten volle over eens, dat die opleiding een wetenschappelijk 'karakter moest dragen en dat het beste niet goed genoeg is voor dit belangrijke ambt, Maar welk antwoord ook op deze vragen werd gegeven: HET WERD DOOR DE KERKEN GEGEVEN.
En dat was volkomen juist. Ik kan mij ook moeidijk indenken da t men bij een grondig en kerkeaijk nadenken tot een ander antwoord komen kan!

Het is vooral met het oog op deze gang van zaken zo vreemd wat de broeders deden die de "stichting" voor het in het leven roepen van een "seminarie" hebben opgericht, Zij hebben geschreven dat zij niet minder dan drie laar aan doevoorbereiding daarvan hebben gewerkt. En dat ze daarbij contact hebben gehad met broeders niet alleen in het binnenland, maar zelfs ook in het buitenland!
Maar de vraag is niet te ontwijken: met welke broeders heeft men contact verzocht en verkregen? En welke maatstaf heeft men aangelegd bij het zoeken naar en het leggen van dit contact, Het is, om dit eerst te noemen, zó dat er in onze kerken vier broeders zijn die enige ervaring in de opleiding van aanstaande predikanten !hebben. En de zelfs o.a. vanwege hun arbeid daaraan zijn geschorst. Lag het niet in de rede dat men ook contact met hen had gezocht? Maar dezen hoorden pas van de zaak toen die geheel in kannen en kruiken was. Deze gang van zaken heeft mij zeer bevreemd. En de vraag bij mij, doen opkomen en in leven gehouden: waarom zijn in het vooroverleg over een zo belangrijke zaak als de opleiding van dienaren des Woords broeders gepasseerd, die ongeveer een kwart eeuw daarin hun levenstaak vonden?

En daarbij komt nog iets dat m.i. nog ernstiger is. Zoals ik reeds eerder heb verteld - en trouwens ook iedereen weet - kwam op 25 april 1970 een Convent van Kerken bij een om over de opleiding van de predikanten te spreken. En dat Convent benoemde een commissie van een aantal broeders die geacht werden de verschillende aspecten van de opleiding te kennen om daarover de kerken te kunnen adviseren. Deze oommissie heeft, zoals ik ook reeds vermeld heb, in volle openbaarheid hard gewerkt en op de volgende Conventen verslag uitgebracht van haar arbeid. Welnu deze commissie, noch één van de leden daarvan, had ooit iets gehoord van het werk van de broeders die bezig waren met de voorbereiding van de door een stichting te openen en te beheren seminarie!
We hebben dus dit wonderlijke beleefd dat in onze (kerken gedurende drie jaren gelijktijdig twee groepen broeders zich bezig hieIden met de opleiding van predikanten. In feite waren er dus twee oommissies die dat deden!
De éne werkte in opdracht van de kerken. Bij iedere stap die ze deed zocht zij contact met de kerken en ging geen stap verder dan nadat zij de goedkeuring van de kerken op de voorgaande had verkregen, En zag tenslotte het eerste wat zij voorstelde, dit mannelijk dat de kerken jongelui die predikant wensten te worden zouden adviseren in "Apeldoorn" te gaan studeren, met algemene stemmen aangenomen! De andere oommissie werkte drie jaar lang in het diepste geheim.
Zij, zocht contact met blijkbaar naar een bepaalde maatstaf geselecteerde broeders. En trad pas in de openbaarheid toen de zaak van een "seminarie" tot in de fijnste puntjes was geregeld. Het oordeel over deze gang van zaken laat ik aan de lezers over,

In het begin van dit artikel heb ik gezegd, dat de eerste, allesbeheersende vraag die ten aanzien van de opleiding van predikanten moet gesteld worden deze is: met behulp van welk instituut en met welk onderwijs moet de opleiding van onze predikanten geschieden?
En ik heb er daarbij opgewezen dat de gereformeerde kerken steeds hebben gezegd en in praktijk gebracht. Over die kwestie beslissen wij, wij alleen!
De oprichters van de stichting hebben gezegd, en dat gezegd met een daad: Neen daarover beslissen WIJ ! En hij het overleg daarover laten we de kerken volledig buiten de deur! We stellen ze voor een "fait accompli ", een voldongen feit!
Wij !handelen en beslissen over deze zaak in de kerk over de kerk zonder de kerk.

Hoe volkomen de kerken buiten geheel de opzet van de stichting en de inrichting van het seminarie zijn gehouden blijkt uit nog meer.
Ik denk b.v, aan de Raad van Toezicht, Let wel: het gaat bij deze Raad om het geven van enkele niet bindende adviezen bij de keuze van bestuursleden en de benoeming van de docenten en het toezicht houden op het onderwijs, Die Raad ds de - zeer dunne draad waarmee men de Stichting en haar seminarie zich aan de kerken wil binden. Maar toen de Stichting uit de duisternis waarin zij werd geboren kant en klaar in het dagdicht trad verscheen zij met een complete Raad van Toezicht! Die had ze dus zelf benoemd. Ik wil wel eerlijk zeggen dat Ik dáár niets van begrijp. Een raad van toezicht benoemd door hen over wie toezicht moet worden ,geoefend.
Onder toezicht staand en die hun toezichthouders zèlf benoemen!
Wat is dat voor een figuur? Als die Raad van Toezicht nog iets zou betelkenen dan had men de benoeming daarvan, moeten overlaten aan de kerken die in de documenten van de stichting “Samenwerkende kerken" worden genoemd.

Ik schreef zo juist over kerken "die in de documenten van de stichting 'samenwerkende kerken' worden genoemd." Ik deed dat uiteraard expres.
En wel om het feit dat die term "samenwerkende kerken" volst reikt onjuist en daarom dn dit verband misleidend is. "Samenwerkende Kerken" duiden in het kerkelijke taalgebruik ik erken aan de samen zelf een kerkelijke arbeid aanvatten en uitvoeren. Zo zijn er "samenwerkende kerken:" die gezamenlijk zelf zendingsarbeid verrichten. Zo zijn er "samenwerkende kerken" die gezamenlijk zelf de opleiding van predikanten ter 'hand nemen en een "school'"daarvoor oprichten waarvan ze in alle opzichten zelf baas zijn, Er wordt in de kerken ook gesproken van "steunbiedende kerken". Daar weten wij in Kampen alles van. af. De kerk van Kampen "bedrijft" namelijk zending. En heeft ten aanzien van alles wat daarmee samenhangt alleen en ten volle beslissingsrecht, al heeft zij zich verplicht in alles wat zij doet de haar "steunbiedende" kerken te kennen. De kerken die deze Stichting steunen zijn ten opzichte van. die Stichting noch “samenwerkende", noch "steunbiedende'" kerken, maar alleen "geldverschaffende kerken" die daarbij wat niemand bindende adviezen mogen geven en wat toezicht mogen hemden over een instituut dat in haar, voor haar, zonder haar werd opgericht en in stand wordt gehouden.
Tot zover voor deze week.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief