Over Homofilie, enige vragen aan drs H. de Jong
1976-10-01
In ons blad heeft collega De Jong in een drietal artikelen de homofilie ter sprake gebracht en zich bereid verklaard een publieke gedachtewisseling over het gebodene aan te gaan. Wanneer ik op deze artikelen inga is het niet mijn bedoeling in een brede discussie over dit veelomvattende onderwerp te treden.- Jaargang 20
- nummer 38
Ds. de Jong heeft niet alleen aandacht voor deze zaak gevraagd, maar is gelijk -tot actie overgegaan Goor bijdragen te vragen voor de Stichting Bijzonder Pastoraat Buitenland, om samen als vrijgemaakte gereformeerden een steunbedrag aan -te bieden. Deze actie heeft nog al de aandacht getrokken in de landelijke pers en hoewel het hier geen zaak van de kerken betreft, maar een initiatief van ds De Jong zijn de kerken op deze wijze er toch bij betrokken geraakt en komen er vragen over los. Terwille van de duidelijkheid wil ik daarom de schrijver enige vragen stellen. Van harte stem ik toe dat het de hoogste tijd is dat wij ons gaan bezinnen op de vragen die in de veranderende moraal van onze dagen aan de orde komen. De zogenaamde nieuwe moraal verslaat in onze dagen zijn duizenden en vormt een ernstige bedreiging voor de kerken, in het bijzonder voor onze jonge mensen. Daarom is een overleg op kerkenraden en tussen de kerken dringend nodig.
Daarbij zal ook de homofilie ter sprake moeten komen.
Sommigen zullen er nog aan moeten wennen dat er openlijk over dit onderwerp wordt geschreven, maar dit is nu eenmaal zo in onze dagen en het heeft niet alleen negatieve kanten. Het is een goede zaak de aandacht te vestigen op de nood van onze homofiele naaste. De ervaring leert dat lang niet iedereen daarvoor oog heeft en dat het dikwijls veel moeite kost om een man of een vrouw met deze afwijking in zijn naaste omgeving en ook in de kring van de christelijke gemeente geaccepteerd te krijgen. Vandaar het grote stilzwijgen rond deze zaak.
Het is dus goed op de nood van deze mensen te wijzen. Men kan dit, zoals ds De Jong zegt, niet af doen met het argument dat toch ook in het leven van de ongehuwden een vereenzaming is, die met Gods hulp gedragen moet worden. wel wat meer oog kunnen hebben, maar dit is een verhaal apart.
Dat de vergelijking met de ongehuwden niet opgaat wordt niet bewezen door het feit dat uit deze kring veel bijdragen voor de stichting zijn binnengekomen, dit zegt niet zo veel. Een door omstandigheden niet gehuwde man of vrouw heeft in de sociale contacten, die bepaald worden door de gewone verhoudingen tussen de seksen, niet de spanningen en remmingen die de homofiel kent, In een gezelschap van mannen heeft de homofiel het moeilijk vanwege de natuurlijke afkeer die men heeft van dit "anders" zijn, bij vrouwen voelt hij zich evenmin thuis, daar stuit hij ook op afkeer, zodat hij in de vereenzaming gedreven wordt en het moet maar niemand verwonderen dat deze mensen elkaar zoeken. Op deze dingen wijs ik om te laten zien dat ik ds De Jong bijval wanneer hij op de nood in deze kringen wijst en ik zou daaraan toe willen voegen dat in de ambtelijke zorg binnen onze kerken ook in het verleden begrip was voor deze zaak, wanneer die boven water kwam. Toch weten we dat het een tere zaak betreft, die gelijk omstreden is.
Hier komt mijn eerste vraag. Ook collega De Jong weet dat alles erg gevoelig ligt.
De weerstanden zijn er al in het gesprek en zeker als we tot actie overgaan. Uit zijn artikelen blijkt dat zelfs de Wereldraad van Kerken, die toch niet voor een kleintje vervaard is geen steun verleent vanwege een te verwachten veto van de Franse kerken. Dichter bij huis zou een collecte voor de Stichting in de eigen gemeente eer verdelend dan verenigend werken.
Daarbij schrijft collega De Jong: Persoonlijk weet ik niet precies hoe ik over homofilie moet oordelen. Was het nu in deze situatie verantwoord tegenover de kerken om tot een actie over te gaan om via Opbouw namens vrijgemaakte gereformeerden een steunbedrag aan te bieden voor een omstreden zaak, waarbij allerlei onzekerheden spelen die ik aan het slot zal noemen?
Was het niet beter geweest van tevoren overleg te plegen in de kring van de kerken om bij voldoende overeenstemming te komen tot een -actie waaraan de kerken hun steun kunnen verlenen? Ik weet wel dat het herhaaldelijk voorkomt dat iemand persoonlijk, ook wel een plaatselijke kerk, een actie aangaat voor een "goed doel", daarvoor de "verantwoording" neemt en pas daarna een beroep op de kerken doet.
De mensen en de kerken zijn dan goed genoeg om bij te dragen.
Maar al wordt dit gewoonte, daarom is het nog niet goed. Mijn vrees is, dat het initiatief van ds De Jong, wel eens polariserend zou kunnen werken en daarmee zijn homofielen in Parijs en wat mij veel nader ligt, de homofiele broeders en zusters in onze kerken, niet gediend.
Ds. De Jong heeft het de mensen die hem willen aanspreken op zijn artikelen niet makkelijk gemaakt door een preek te publiceren en uit te geven.
Het is een preek over Romeinen 1: 24-32, die als "onderwerp" heeft de homofilie.
Tekst en titel dekken elkaar niet. In de tekst komt heel wat meer ter sprake, terwijl er t.a.v. de homofilie meer schriftgegevens zijn, zoals ds. De Jong weet.
Zou het niet beter geweest zijn op een gemeentevergadering het onderwerp in te leiden, dan is er ruimte voor discussie, die ruimte is er niet wanneer in de gemeente het Woord wordt bediend. In de preek wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen de homofilie als perversiteit in de oververzadigde cultuur van Rome, waarover Paulus schrijft in zijn brief en de homofilie als een aanleg waarmee iemand is geboren. De eerste "soort" wordt in krasse termen afgewezen; de ·tweede wordt een afwijking genoemd, niet een variatie, een afwijking die niet zonder meer als zonde mag worden gekwalificeerd.
Men doet de mensen, die met de aanleg geboren zijn groot onrecht wanneer men hen met Romeinen 1 op het lijf vak Deze onderscheiding vinden we zakelijk ook in het zeer lezenswaardige boekje van dr. J. Douma over dit onderwerp.
De Jong en Douma stemmen dus daarin overeen dat de homofiele aanleg niet zonder meer zondig wordt genoemd. Ds. De Jong gaat, dacht ik, een eigen weg, wanneer hij er geen bezwaren tegen blijkt te hebben, wanneer een homofiel het monster van de eenzaamheid te lijf gaat door in partnerschap met een goede vriend een relatie op te bouwen in eer en deugd, Hier komt mijn tweede vraag. Hoe stelt zich ds De jong deze relatie in eer en deugd voor? Is dit een relatie waarin de partners zich van seksuele handelingen onthouden? Wordt deze eis gesteld, dan legt men deze mensen een spanning en een last ,op die te zwaar zijn om te dragen.
Dan is het veel beter, liefdevoller hen op te wekken het kruis ,op zich te nemen en in onthouding hun weg te zoeken in de verwachting van Gods hulp in hun kruis.
Er is toch een zegen onder het kruis!
Wanneer het partnerschap niet met onthouding gepaard gaat, wat dan te zeggen van handelingen die toch sterke overeenkomst vertonen met wat in Romeinen 1 en Genesis 19 wordt genoemd en door ds. De Jong zo scherp is afgewezen. Met De Jong en Douma geloof ik dat we een afwijkende aanleg niet zondig mogen noemen, maar ik heb een vermoeden dat we de rechte onderscheiding nog niet hebben. Wat van de aanleg geldt, geldt m.i. niet van de handdingen en daar liggen de moeiten.
Daarom mijn tweede vraag: kan een vriendschap zoals door ds De jong genoemd aangemoedigd worden, ik heb de vrijmoedigheid daartoe niet.
Mijn laatste vraag kan kort gesteld wonden. Uit zijn betoog blijkt dat ds. De Jong niet thuis hoort in het rijtje namen dat Trouw publiceerde bij het bericht over de Stichting. De overigens juiste berichtgeving in het Nederlands Dagblad vertoonde een dissonant in het feit dat naast de foto van ds. De Jong die van Prof. Kuitert prijkte. Hier valt dacht ik iets te leren. Het uitgangspunt van ds. De Jong is niet dat van onderscheiden medeondertekenaren en als hij homofilie een afwijking noemt zal hem dit niet in dank wonden afgenomen. Heel belangrijk is de vraag wat het uitgangspunt is van Pasteur Douché bij zijn pastoraat, daarover moet m.i. zekerheid zijn. Dit klemt te meer nu in de pers mededelingen zijn verschenen over relaties die 'hij zou hebben met de N.V.S.H. en het C.O.C. Het staat dacht ik wel vast dat we met deze organisaties met in zee gaan. Vandaar mijn vraag.