Egoïstische ethiek of christelijke naastenliefde

1976-10-01
  • Jaargang 20
  • nummer 38

Een voortgezette discussie
Het vorig jaar hadden dr Van Klinken en ik in Opbouw een discussie over: "egoïstische ethiek". Dr v. Klinken is hier nu op teruggekomen in zijn artikel "De egoïstische ethiek en het christelijk gebod der naastenliefde." Van mijn kant wil ik ook graag weer een poging doen mijn standpunt te verduidelijken, Daar de vorige artikelen een jaar geleden verschenen zijn, zal terwille van de duidelijkheid herhaling niet altijd te voorkomen zijn. De discussie is overigens niet eenvoudiger gewonden door het feit, dat Van Klinken in zijn laatste artikel zijn standpunt gewijzigd blijkt te hebben zonder dit nadrukkelijk te hebben aangegeven.

Egoïstische ethiek
Bij egoïstische ethiek hebben we te maken met egoïsme. Bij egoïsme geeft men aan het ego, aan zichzelf, een te hoge waarde, een waardering boven de redemens. In de ethische sfeer betekent egoïsme zelfzucht, Hen menselijk ego of het ik staat in het centrum en alles wordt daarop betrokken. Zelfs God wordt uiteindelijk aan ons menselijk belang dienstbaar gemaakt. Egoïsme is dus het tegendeel van de liefde, die niet zichzelf zoekt. Zie 1 Kor. 13 : 5. Egoïsme, zelfzucht is dan ook, evenals elk- isme, op bijbels standpunt een verwerpelijke zaak.
Dr v. Klinken probeert in zijn artikel de scherpe kantjes van dat harde egoïsme wat af te vijlen, maar ook een wat bijgevijld egoïsme dient te worden .afgewezen. Egoïsme in welke vorm ook is onverenigbaar met het gebod der christelijke naastenliefde. Zie Phil. hoofdstuk 2.
In zijn vorig artikel- concludeerde v. Klinken uit het gebold, dat we de naaste lief moeten hebben als onszelf, dat we dus onszelf evenveel dienen lief te hebben als onze naaste. Maar dat zegt de Schrift nu juist niet. Er staat niet geboden, dat we onszelf als de naaste moeten liefhebben. Het is m.i. inlegkunde uit het gebod tot naastenliefde een gebod tot zelfliefde te construeren. Zelfliefde wordt hier als feitelijkheid genoemd zonder dat hier goed of afkeuring aan verbonden wondt.
De mensen hebben van nature zichzelf wel lief.
Dat neemt niet weg, dat we onszelf we moeten liefhebben, maar dan niet in egoïstische zin, omdat de mens bij egoïstische zelfliefde niet tot zijn recht komt. Op dezelfde wijze hanteert v. Klinnrken in zijn laatste artikel de tekst: “en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder lette ook .op dat van anderen" (Phil. 2 : 5).
Hierin wordt ons niet verboden op ons eigen belang te letten. Alleen maar, bij het opkomen voor mijn eigen belangen ontmoet ik medeschepselen van God. En dan krijgen we het kritieke punt, waar deze tekst over spreekt: Dan zegt de egoïst: mijn belangen prevaleren.
Maar de Schrift zegt: zoek niet alleen maar je eigen belang, maar ook dat van anderen. Let wel op de volgorde. Er staat niet: “Let niet slechtsop de belangen van anderen, maar ook op die van, jezelf. Neen, de mens die van nature egoïsme is, wordt erop gewezen, dat zijn medemensen ook schepselen van God zijn en dat daarom die medemens ook aan zijn trekken moet komen. Dat is nl. de intentie van de christelijke naastenliefde te zorgen, dat de naaste tot zijn recht komt en dat hij de plaats ontvangt, waarvoor hij als schepsel van God bestemd is. Het gaat dus in deze tekst helemaal niet over het eigen belang, maar over het belang van de ander. Dit wordt nog duidelijker als we letten op het hele hoofdstuk. Phil. 2 is één vermaning om te volharden in de gezindheid van Christus. Dat betekent "zonder zelfzucht" (egoïsme) of ijdel winstbejag. En dan vertelt de apostel ons verder hoe Christus zich ontledigd heeft en zich heeft vernederd tot de dood van het Kruis. Die gezindheid moet er ook bij ons zijn. Ik weet geen uitspraak in de Bijbel te vinden, die de egoïstische ethiek fundamenteler bestrijdt.

Leer en Leven
Het is waar, dat van deze eis van de Schrift bitter weinig terecht komt. Wij zijn van nature aartsegoïsten. Wij hebben de neiging onze belangen boven die van de naaste te stellen. Van Klinken komt daardoor tot de vreemde uitspraak, dat het met de leer wel grondig mis moet zijn, omdat er een kloof is tussen leer en leven. Zou het niet waarschijnlijker zijn, dat het met ons leven grondig mis is? Van Klinken gaat nog all breed in op die kloof tussen leer en leven. Dat moet, zo meent hij, van de mensen gespleten persoonlijkheden maken. Daar had Paulus ook al, last van. Lees maar Rom. 7, waarin hij klaagt over de onmacht om de zonde te overwinnen. Een noodkreet over het conflict tussen willen en volbrengen. Hij zegt tenslotte: ellendig mens die ik ben, wie zal mij verlossen uit dit doodslichaam?

Wie is mijn naaste?
lik kom bij een moeilijk punt, omdat v. Klinken zijn beschouwing over de egoïstische ethiek blijkbaar wat gewijzigd heeft. De vorige maal stelde hij, dat de humanistische idee van de gelijkwaardigheid van alle mensen en de bijbelse gedachte der naastenliefde tot hetzelfde resultaat kwamen. Dat noemde hij de egoïstische ethiek.
In mijn vorig artikel heb ik deze gedachte bestreden, omdat dit in feite een horizontalisering van de christelijke naastenliefde betekende.
Van Klinken komt nu tot een wat andere conclusie, na. dat egoïstische ethiek en het chr. gebod der naastenliefde wel, niet op één lijn te stellen zijn, maar dat zij elkaar ook niet uitsluiten, omdat niet iedereen mijn naaste is.
Betekent dit, dat de chr. naastenliefde voor een bepaalde categorie van mensen geldt, die wij dan onze naasten noemen, terwijl er nog een andere categorie is, waartegenover het gebod van de egoïstische ethiek van kracht is?
Als dat de opvatting van v. Klinken is, zou het wel gewenst zijn geweest, dat v. Klinken precies aangaf, waar de grens loopt tussen de naaste en de anderen.
Juist echter wat betreft de vraag wie mijn naaste is, blijft hij wat vaag.
Wie is mijn naaste?
Van Klinken is blijkbaar vuurbang voor de gedachte, dat iedereen onze naaste zou zijn. Het is in dit verband wel interessant er op te wijzen, dat volgens Calvijn de hele mensheid onze naaste is. Zo schrijft hij in de Institutie: "Maar ik zeg, dat het ganse menselijke geslacht zonder uitzondering met één gezindheid der liefde omhelst moet wonden, dat hier geen onderscheid is van barbaar of Griek, waardige of onwaardige, vriend of vijand, aangezien ze in God en niet in zichzelf beschouwd moeten worden."
Deze uitspraak van Calvijn lijkt mij wat te algemeen. God kan alle mensen tegelijk liefhebben, maar voor ons is dat niet mogelijk. Wel ben ik van mening, dat iedereen onze naaste kan worden.
Ook onder Israël was het niet zo, dat slechts de Israëliet de naaste was. Daar viel ook de vreemdeling onder. In plaats van "naaste" kunnen we ook spreken van "de ander" . Christus laat ons in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan zien, dat ook een vreemde, die wij ontmoeten onze naaste kan worden.
God kan iedereen op mijn weg plaatsen. Hierbij moeten wij niet slechts ruimtelijk denken. Iemand kan ethisch op mijn weg Eggen, terwijl dat ruimtelijk niet het geval is. Bij de serie "Redt een kind" ontmoet ik een naaste, die ruimtelijk ver weg is en die ik persoonlijk niet eens ken, maar toch' is het een naaste die God op mijn weg geplaatst heeft . Denk ook aan het zendingsbevel, waarin ons bevolen wordt te gaan tot de uitersten der aarde. Daarbij is wel een rangorde waar te nemen. In Israël was dat allereerst de broeder. Daarbij bleef het echter niet beperkt.
In het N.T. lezen we: laat .ons goeddoen aan allen, maar in het bijzonder aan onze geloofsgenoten (Gal. 1 : 10).
Naar deze visie blijft er geen plaats meer over voor mensen, waarvoor het gebod der egoïstische ethiek geldt en niet dat van de christelijke naastenliefde.

De overheid en het gebod der christelijke naastenliefde
Dr Van Kiinken brengt tenslotte prof. Troost tegen mij in het geweer.
Prof. Troostschreef nl. "dat de liefde nimmer losgemaakt kan worden van de normatieve structuur" van de situatie, waarin het gebod gehoorzaamd moet worden.
Met deze uitspraak van prof, Troost ben ik het van harte eens. Het is mij niet duidelijk, hoe v. Klinken deze uitspraak tegen mij kan aanvoeren, want ze verduidelijkt juist mijn standpunt. Het gebod der naastenliefde is overal van kracht. Ze is, zo zegt Troost, zo iets als de kompasnaald, die .ons de weg wijst. Alleen maar, ze mag niet losgemaakt worden van de structuur van de verschillende relaties. Ik moet mijn vrouw, mijn buurvrouwen mijn secretaresse liefhebben, maar als het goed is toch wel op verschillende wijze. Bij de ene structuur zal het liefdesgebod anders fungeren dan bij de andere.
Bij het gezin b.v. anders dan bij de overheid. De overheid heeft tot taak het uitoefenen van de publieke gerechtigheid.
Maar, zo schreef ik in het vorig artikel, die publieke gerechtigheid moet door de naastenliefde verdiepten gericht worden. Niet in die zin, dat bij de economische politiek van de overheid de liefde het leidende gezichtspunt, de dominante norm moet zijn.
Dat .is de liefde wel bij de gezinseconomie. N een, bij de overheid is de publieke gerechtigheid 'het leidende gezichtspunt. Maar daarbij kan de kompasnaald van de christelijke naastenliefde niet gemist worden. Ik drukte dat uit met de woorden van prof. Goudzwaard. dat de publieke gerechtigheid door de christelijke naastenliefde wordt gericht en verdiept. Van Klinken heeft blijkbaar gemeend, dat ik uitging van de stelling, dat er maar één beginsel is voor het handelen van de mens: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Als het motief maar goed is, dan is de daad al goed.
Als de overheid zo zou optreden, dan zou dat inderdaad uitlopen op een onbeperkt overheidsoptreden. Daarvan is echter in mijn beschouwing niets te lezen. Van. Klinken citeerde slechts één zin zonder op het verband te letten en daarmee liet hij mijn opvatting niet tot zijn recht komen. Het ging er mij om, dat ook het overheidsoptreden moet genormeerd zijn aan Gods geboden. Van Klinken wil ook wel optreden van de overheid, maar dan moet er sprake zijn van chaotische verhoudingen. Naar mijn opvatting dient de overheid op te treden als de mens tekort gedaan wordt in zijn leefruimte en hij daardoor niet meer tot zijn recht kan komen als schepsel van God. Daarin klinkt iets door van die kompasnaald van de christelijke naastenliefde. En dat mis ik in de beschouwing van v. Klinken. Wanneer v. Klinken waarschuwt tegen het synthetisch denken tussen het humanistisch beginsel der medemenselijkheid en het christelijk gebod der naastenliefde, dan zijn we het hartroerend eens. Naar mijn opvatting ,is zijn visie over de "egoïstische ethiek" echter juist een symptoom van dit synthetisch denken, Vandaar mijn bezwaren tegen zijn beschouwing.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief